Een dunne lijn

hurstRecent las ik ‘The Outsider’, een boeiend boek over opkomst en ontwikkeling van de doelman in het voetbal. Toen het spel begon, was er nog geen keeper. Pas later werd een verdediger verder naar achteren geschoven en begon in de keepersevolutie het gebruik der handen en ontstond de uitzonderingspositie, ‘The Outsider’ dus.

Veel keepers leden en lijden onder de angst voor die ene fout, die beslissende blunder die roem doet verdampen en carrières breekt. In de geschiedenis van de doelman lopen dan ook enorm veel zenuwpezen rond. Tijdens de legendarische 3-6 overwinning van Hongarije op de ‘uitvinders’ van voetbal Engeland in 1953 liet de Hongaarse doelman Grosics zich bij een comfortabele voorsprong vervangen omdat hij bang was de voorsprong letterlijk en figuurlijk uit handen te geven.

Keepers van nu weten zich beter beschermd dan vroeger toen zij niet zelden onder de zoden werden geschoffeld of bloedend en met botbreuken afgevoerd. Keepers worden ook steeds meer geacht mee te voetballen, iets wat ze 150 jaar geleden als vanzelf dus deden. De keepersevolutie is dus gewoon een stap terug in de tijd.

En hoe ik hier nu op kom? Jeroen Zoet. Gisteren in de Kuip. Ik had met hem te doen. Hij moet een black out hebben gehad. Toen heel Feyenoord schreeuwde om een doelpunt – wat het toen nog niet was – trok de achter de doellijn terecht gekomen PSV-goalie de bal naar zich toe waardoor de nieuwe doellijntechnologie hem nekte en automatisch doelpunt aangaf. De keeper de schlemiel.

In 1966 was er nog geen doellijntechnologie en dat voedt nog steeds de discussie of de 3-2 van Engeland van Geoff Hurst tegen Duitsland in de WK-finale echt een doelpunt was of niet. Er is geen sluitend bewijsmateriaal en dus gaat de discussie door, ook hier en nu weer. Zoet was gisteren de schlemiel, de Duitsers voelden zich in 1966 bestolen. Wat hadden zij graag die doellijntechnologie gehad die Zoet gisteren graag had gemist. Het is voor keepers altijd een dunne lijn tussen eeuwige roem en de stille aftocht.

The Banks of England

BanksGisteren was mijn held, voorbeeld en de beste keeper van Nederland Jan van Beveren de semitragische hoofdpersoon in Andere Tijden Sport. Het ging om de ruzie tussen hem en Cruijff die hij verloor maar die ook Nederland verloor: bij de WK’s van 1974 en 1978 stond er een stijve Jan Jongbloed met ouderwetse kniestukken in de goal in plaats van Van Beveren.

Vandaag in de marges van de sportpagina’s van Het Parool een aardig stukje van Dick Sintenie over het bijzondere soort voetballers dat keepers heet. Keepers zijn buitenbeentjes. Rare loners. Ik kan het weten. De Brazilianen zijn snoeihard over keepers. Waar de keeper staat, groeit geen gras, luidt een gezegde. Tot niet zo lang geleden zetten de goddelijke kanaries gewoon de slechtste voetballer op goal. Daarom moesten de Brazilianen altijd zoveel scoren.

Zo’n eeuw geleden had je vooral in Engeland hele dikke keepers, een goalie als vette sta-in-de-weg. Nu zijn keepers ware atleten, schatplichtig aan Jan van Beveren en de grote Rus Lev Yashin, the man in black, liefkozend en afschrikwekkend de zwarte panter, de zwarte spin en de zwarte octopus genoemd. Hij zou in zijn lange loopbaan 150 penalty’s hebben gestopt, maar dat is denk ik wat al te stevig aangezet door de Russische propaganda.

En dan was er nog Gordon Banks (foto) en – volgens Sintenie – de moeder aller saves. De goalie van Engeland haalde op het WK van 1970 een kopbal van Pelé uit de rechter benedenhoek, en Pelé snapt nog steeds niet hoe Banks die bal keerde. Banks was een grote. Werd wereldkampioen in 1966, kreeg de bijnaam The Banks of England, maar verloor bij een ongeluk in 1972 een oog en moest stoppen. Hij kwam er beter af dan ‘onze’ tweevoudig international Tonny van Leeuwen. Die reed zich in 1971 dood, net nadat hij gehuldigd was als minst gepasseerde doelman in het betaald voetbal. 

Het polletje van Mickey

go ahead - ajaxAls er in de Adelaarshorst aan de Vetkampstraat een groot gat in het veld had gezeten, dan was Go Ahead Eagles-doelman Mickey van der Hart daar gistermiddag maar wat graag voorgoed in verdwenen. De van Ajax geleende jonge doelman ging vlak voor tijd tegen Ajax uiterst pijnlijk in de fout en bezorgde zo zijn Amsterdamse broodheren de overwinning.

Mickey van der Hart is door Ajax uitgeleend aan Go Ahead Eagles om ervaring op te houden. Maar de ervaring die Van der Hart gisteren opdeed, zal Ajax niet voor ogen hebben gehad. Van der Hart kreeg een terugspeelbal die helaas voor hem een polletje raakte en iets omhoog kwam waardoor de geplande trap van de doelman eindigde in het luchtledige. De bal eindigde in het doel. Van der Hart wilde slechts verdwijnen.

Ooit was er het polletje van Van Breukelen. Misschien minder klunzig, maar na al die jaren wel een klassieker. Het kostte PSV toen in 1988 in de Rotterdamse Kuip de overwinning. Van Breukelen is er nu nog nijdig over. Van der Hart mag hopen dat zijn trainer niet zo laf is om hem komend weekend te passeren en dat hij vervolgens een wereldpartij keept.

Het is het altijd dreigende noodlot van de doelman, dat gapende gat van 7,32 bij 2,44 meter dat hij moet verdedigen. Een fout is snel gemaakt – keepers zijn net mensen – en een fout is vaak een goal. Het is onrechtvaardig, een spits mag tien kansen missen als hij vlak voor tijd maar de winnende maakt. En al die klungelende verdedigers voor je, wie zegt daar nu eens wat van?

In het kunstgras van SC Buitenveldert geen polletjes. Of het hielp weet ik niet, maar op mijn verjaardag hield ik met mijn van dochters gekregen nieuwe handschoenen de voor een keeper zo belangrijke nul. Na afloop bij het bier en de bitterballen zagen we Mickey van der Hart zoeken naar dat gat in het veld. Ik was waarschijnlijk de enige in de kantine die mededogen met hem had. Keepers zijn solidair. Zij weten hoe erg mis het kan gaan. Dat schept een band. Er is nog geen polletje van Van Noppen, maar dat kan komende zondag zomaar anders zijn.

Een vijftiger op doel

ZwevenIk wilde me inhouden. Niet schrijven over onze nederlaag. Niet mekkeren over die mislukte seizoenopener gisteren, de 2-0 nederlaag bij SWIFT. Niet pochen over je eigen goede wedstrijd als keeper, want als je verliest maakt ook dat niets uit. Als je echt goed was, had je een punt gepakt.

Ik heb me ingehouden. Maar nu moet ik toch. En dat komt door Het Parool. Daar lees ik net een stukje met als kop ‘Haagse amateurvoetballers maken tegenstander in met 31-0′. Het Haagse SV Loosduinen maakte stadgenoot Wanica Star af met deze monsterscore. Maar behalve curieus interesseert het me niets. Ooit, in mijn jeugd, won ik in een Zuidhollands dijkdorp met 23-0, als keeper had ik daar tegen een paal geleund gezeten.

Die 31-0 zal Wanica Star pijn hebben gedaan. Wat mij pijn deed was het commentaar van de Loosduinense trainer. Hij vond het maar niks die 31-0. Want wat is die uitslag waard tegen een team dat na rust nog met negen man staat en een vijftiger op doel heeft.

Pardon? Wat is er mis met een vijftiger op doel? Wat is er mis met gerijpte keepers? Wordt er zo met ervaring en inzicht omgegaan? Moet ik dan toch maar even pochen over mijn wedstrijd gisteren? Toch maar niet. Ik zou me inhouden. Beloofd is beloofd. Zondag revanche. Dan wacht thuis WVHEDW. Zo vroeg in de competitie al een zes-punten-duel…

Het doel heiligt de middelen

CourtoisDe Belgische doelman Thibaut Courtois bereikte gisteren met ‘zijn’ Atletico Madrid de halve finale van de Champions League. Courtois is een huurling. Hij is eigendom van Chelsea dat hem drie jaar geleden kocht van Racing Genk. Courtois speelde echter nog nooit voor Chelsea. Direct na aankoop werd hij verhuurd aan Atletico Madrid.

Het verhaal van Courtois is niet bijzonder, maar bijzonder exemplarisch voor de internationale marktplaats die het grote voetbal is verworden. Vanochtend was het een klein berichtje, maar toch: in het lease-contract van Courtois zou staan dat hij niet tegen zijn echte baas – Chelsea, dus – mag spelen, anders dan voor een forse dwangsom van € 3 miljoen per wedstrijd. En aangezien én Atletico én Chelsea nu in de halve finales van de Champions League staan, is de kans vrij groot dat dit gebeurt. Vrijdag is de loting.

Het is een rare, schimmige wereld, dat moderne voetbal. Het doel lijkt alle middelen te heiligen. Oliesjeiks, gasbaronnen, puissant rijke Amerikanen, en misschien wel hordes belchinezen hebben het voetbal in een grote commerciële wurggreep. Courtois is een goede keeper – Belgisch international ook – maar toch vooral handelswaar.

Met het vele geld zijn ook de mondiale machtsverhoudingen gaan schuiven. Zo was de wedstrijd Atletico Madrid – Barcelona op de shirts van de ploegen toch vooral de wedstrijd van Azarbeijan, Land of Fire vs Qatar Airways. Azarbeijan won met 1-0. Mede dankzij een fantastische safe van Courtois die de bal van de felgekleurde schoenen van het Braziliaanse etterbakje Neymar plukte. Maar of het voetbal ook nog wint?

Het Ken-neth

vermeer-nadert-de-100-met-bizarre-cijfers-570x268

Job Cohen wist het al: wij zijn allen amateurs. Dat geld zeker voor bet armzalige Ajax dat gisteren gefileerd werd door een weder opgestaan PSV. De trots van Mokum zakte ongenadig door het ijs. Waar de 4-0 nederlaag tegen Barcelona nog als hoopvol werd beschouwd, waren dezelfde verliescijfers in Eindhoven de aankondiging van ellende en crisis.

En wie had het gisteren allemaal gedaan? Kenneth Vermeer. De keeper. Al tijden wordt Vermeer ‘gezocht’ omdat hij te veel fouten zou maken. Tsja. Misschien. Misschien blundert hij af en toe opzichtig. Maar hij haalt er ballen uit die een andere keeper niet eens ziet. En dat zijn er nog al wat. Want de puinhoop die een Amsterdamse verdediging heet, moet voor een keeper een gruwel zijn. Wat een ruimte, wat een gaten.

Alle ellende begon bij Cruyff, hij van die fluwelen revolutie waar Ajax nu zo’n plezier van heeft. Hij begon met Menzo op de middenlijn, en ook die keeper werd geslacht. En nu ligt er voor Vermeer weer net zo’n ruimte, en krijg je als international bij een would-be-topclub nog meer werk dan wat ik moet verstouwen op een bewolkte zondagmiddag bij SC Buitenveldert.

Keepers zijn rare types. Die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde. Die laat je staan. Ook na zo’n glibber in Eindhoven. En ik kan het weten. Ik keep al 45 jaar. Nooit discussie. Altijd vertrouwen. Ook als ik glibberde. Dus al Ken-het-neth, toch maar lekker laten staan die Vermeer.

In de verdediging

weekers.hockey

Frans Weekers. Frans Hubertus Henricus Weekers, om volledig te zijn. Als je een staatssecretaris bij naam kent, is dat meestal een veeg teken en een slechte zaak voor de betreffende onderminister. Want 9 van de 10 keer ben je dan in opspraak. En dat is Weekers. En het wordt niet minder, maar erger.

Het zijn vaak de opvulbaantjes in een kabinet, de staatssecretarisschappen, niet zelden vergeven aan loyale partijgenoten die te licht zijn voor het echt zware werk, maar die eigenlijk in niets uitblinken behalve dat ze lid zijn, notulen spellen, gevraagd worden en natuurlijk altijd beschikbaar zijn. En dan begint vaak het gedonder.

Op de site van de Rijksoverheid heeft de staatssecretaris van financiën nog het beste voor met ons en met ons belastingstelsel. Hij wil het ‘meer solide en fraudebestendig maken.’ Dat is ook wel nodig, zo weten wij al jaren. Maar nu ook Bulgaren en Polen flinke voorschotten op de slinkende staatskas mogen nemen, loopt de gierput gestaag vol.

NRC kwam vanavond met het voor Weekers niet echt dolle bericht dat er in zijn la al anderhalf jaar een rapport zou liggen over fraude met toeslagen. Aiii. Dat kan hij niet echt gebruiken in de aanloop naar het debat morgen waar hij – in de verdediging – zijn stoep en blazoen moet schoonvoegen en oppoetsen. Het wordt een ware heksentoer.

Maar op een grotere schaal: zorgfraude en fraude in en met ons belastingstelsel is de bijl aan de wortel van gezamenlijkheid en betalingswil, noem het onderlinge solidariteit. Dat nu juist een VVD-staatssecretaris geen kans ziet de gaten te dichten en orde op zaken te stellen voor de ‘hardwerkende en belastingbetalende burger’, zou voor zijn eigen partij al reden genoeg moeten zijn hem te wisselen voor een andere keeper.

Geloof in toeval

Waitingforasign

Dat is ook toevallig. Hoe vaak hoor je dat niet zeggen. Maar hoe toevallig is toevallig? En bestaat toeval eigenlijk wel? En zo ja, wat is het dan? Drie Amsterdamse psychologen schreven het boek Dat kan geen toeval zijn, maar toeval of niet, dat boek gaat over bijgeloof, over eerst even afkloppen.

Net als geloof is bijgeloof van alle tijden. We hebben het er niet graag over, want we vinden het maar wat raar, maar er zijn boeken vol te pennen over bijgeloof en bijbehorende rituelen. Zo speelden Feyenoorders in hun gloriejaren ’70 in de onderbroek van vrouw of vriendin. Het bracht succes, dus bleven ze het doen.

Cruyff tikte altijd de Ajax-goalie voor de wedstrijd zachtjes in de maag, het zou de zege zeker stellen. Doelman Hans van Breukelen had een enorme lijst aan rituelen, waaronder eerst poepen, dan wat lezen, warming up en tot slot nog een plasje voor de wedstrijd. Zelf tik ik voor de wedstrijd altijd een paar keer tegen de rechterdoelpaal, ik probeer het houtwerk of aluminium zo tot vriend van de dag of voor het leven te maken.

Geloof, bijgeloof, toeval, pech, het lijkt een grote brij, maar iedereen heeft het er over, dus heeft het ook een zeker belang, zo vinden ook de auteurs van Dat kan geen toeval zijn. Maar als een voetbalverslaggever roept dat een spits pech heeft omdat hij voor de tweede keer op de lat schiet, denk ik altijd dan moet je beter mikken. Toeval of talent?

En hoe toevallig is het als je in New York een bekende tegenkomt? Je mag in ieder geval aannemen dat je er meer niet tegenkomt dan wel. En heb je dan juist weer pech? Toeval, bijgeloof, hoe het allemaal heet, kwaad kan het ook niet echt, tenzij het je ganse leven gaat dicteren. Volgens de schrijvers die ervoor doorleerden kan vooral positief bijgeloof geen kwaad, van geluksmuntjes tot duimen voor een ander. En werkt het niet, dan heb je pech, of is het gewoon toeval?

Hoe ouder, hoe beter

zoghel

In de aanloop naar de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Roemenië, portretteerde Het Parool gisteren de vier keepers die in de race zijn voor een plek onder de Oranjelat. Onder Louis van Gaal – de vader van God, volgens Uli Hoeness – kan ook een keeper niet meer rekenen op een vaste plaats. Terwijl ik altijd leerde dat dit nodig was voor zelfvertrouwen.

Maar onder Van Gaal regeert de voor een despoot zo kenmerkende willekeur. Niemand is zeker van zijn plaats, behalve hij. En dus mogen Krul, Stekelenburg, Vermeer en Vorm – de volgorde is alfabetisch, en dus ook willekeurig – in kwartetvorm het uitvechten. Het was Stekelenburg, toen Krul, toen Vorm, en toen Stekelenburg dacht het weer te hebben verdiend, kwam het in het straatje van Vermeer. Tsja.

Ik denk dat Stekelenburg de beste keeper is van het kwartet. En als het ook door Het Parool aangehaalde en door mij warm ondersteunde gezegde hoe ouder, hoe beter waar is, dan moet Stekelenburg onder de lat. Hij wordt later dit jaar 31, Krul moet nog 24 worden. En Stekelenburg is ook nog eens de langste, met Krul als goede lange tweede.

Maar Stekelenburg weet hoe de voetbalwereld in elkaar steekt. Ooit werd hij bij Ajax door Van Basten verbannen naar de bank, bij AS Roma gebeurde hetzelfde, en op Van Gaal hoeft niemand te rekenen, behalve Louis zelf. Vanavond dus – als Louis meewerkt – Vermeer weer onder de lat, de keeper waar iedereen een smetje aan vindt zitten, en die – hoe goed hij ook keept – ook weer voor zijn plaats moet vrezen. Dat knaagt. Een keepr moet keeper. Vertrouwen. Wedstrijdritme. Wij keepers kennen dat wel.

Over oude keepers en ballen die voorbij gaan: we schrijven 1969 of 1970 en staand, tweede van links, Go Ahead-goalie Nico van Zoghel. De boomlange doelman zat dicht tegen het Nederlands elftal aan, maar speelde nooit, hij had Jan van Beveren voor zich en die kreeg vaste voorrang, en terecht, de goalie van Sparta en PSV was veruit de beste van zijn tijd. Zo kan het dus ook gaan. Van Gaal of geen Van Gaal.

Lekker belangrijk

En waar mijn blog dan wel over moest gaan,’ zo klonk het zondag van diverse kanten in de Buitenvelderste kleedkamer na de bloedeloze 2-2 tegen het Nieuw-Vennepse DIOS, een wedstrijd die – zeker voor de neutrale toeschouwer, als die er was geweest – het beste schriftelijk had kunnen worden afgedaan.

Vorige week was een makkie, een eitje, toen kon ik op de bluftoer met een vlak voor tijd gestopte penalty die de zege veilig stelde. Maar nu? Geen idee. Misschien wat softie-gewauwel over scherpte, niet goed aan de wedstrijd begonnen, inzet, en wat al niet. Maar wie wil dat lezen? En als je je niet één keer per week scherp kunt zijn bij je zelf gekozen hobby, hoe moet het dan verder op deze aardkloot?

Voetbal is geen spelletje. Voetbal is geen belangrijke bijzaak. Voetbal is lekker belangrijk. Zo belangrijk dat iedereen het erover heeft, iedereen er verstand van heeft, en steeds meer mensen er zinvol en aangenaam over schrijven. Niet over wat er precies in de 82e minuut in het strafschopgebied gebeurde, maar meer de grote lijnen, het genetisch materiaal van het edele voetbalspel.

Zo las ik net in Het Parool een recensie van Arthur van den Boogaard over A History of Football in 100 Objects van Gavin Mortimer, de voetbaltegenhanger van een identiek boek over de geschiedenis van de wereld in 100 dingen. Fijn boek, vond Van den Boogaard, met totaaloverzicht en oog voor details. En wie wil dat nu niet?

Voetbal is lekker belangrijk. En zondag komt Arsenal 9 op bezoek (zonder Arsène Wenger, overgens), en dan moeten ‘we’ er staan, willen we nog tweede worden dit seizoen en zo uitzicht houden op een plaats die recht geeft op Europees voetbal. Lekker belangrijk. Zo is dat. En met alle respect: zondag moet er gewoon worden gewonnen.