208 seconden

sully

De vertegenwoordiger van de pilotenvakbond probeert captain Sullenberger uit te leggen wat er in New York aan de hand is na zijn gedwongen landing in de Hudson. “Deze stad kon wel wat goed nieuws gebruiken. Zeker met een vliegtuig.” Captain Chesley ‘Sully’ Sullenberger is een held als hij zijn Airbus met twee door een vlucht wilde ganzen uitgevallen motoren in de Hudson parkeert en all 155 souls on board de ramp overleven.

De vlucht van US Airways 1549 duurde exact 3 minuten en 28 seconden van start op La Guardia tot de controlled landing in de Hudson. Dat is wat kort voor een speelfilm. Veteraan Clint Eastwoord focust naast de crash dan ook vooral op wat er daarna met Sullenberger en first officer Jeff Skiles gebeurt. De helden van de Hudson wordt achter de schermen het vuur na aan de schenen gelegd en Sullenberger ziet in het crisisjaar 2009 zijn toekomst het raam uitvliegen.

Regisseur Eastwood neemt het op voor de piloten die het uiteindelijk natuurlijk veel beter snappen dan de bureaucraten van de National Transportation Safety Board, de NTSB. Sullenberger en Skiles nemen de human factor mee in hun betoog en hun berekeningen en maken duidelijk dat ze geen andere keuze hadden dan de Hudson. Na de zware verhoren en dreigend ontslag en afname van pensioen zijn de twee uiteindelijk nog grotere helden dan ze al waren. 

Tom Hanks is weer fijn in zijn rol van Mr. America, de bijzondere maar toch vooral ook zo gewone en bescheiden man met zijn gevoelens en kwetsbaarheden, de professional die als laatste het zinkende toestel verlaat, zich ontfermt over zijn crew en laat zien dat professionalisme, toewijding en gezonde geest van iedereen in 3 minuten en 28 seconden zomaar een held kunnen maken. “I did my job”, zegt Sully Sullenberger een aantal keren. En juist dat maakt deze bescheiden man bij leven al een legendarische Amerikaan.

102 minuten

102Net iets langer dan een voetbalwedstrijd. 102 Minuten. Dat is de tijd die er zat tussen het eerste vliegtuig dat het World Trade Center in New York werd ingejaagd en het instorten van de tweede toren. Niemand zal deze 9/11 vergeten. De V.S. under attack. Net als Pearl Harbor 60 jaar eerder.

9/11 was het einde van het Amerikaanse gevoel van semi-veiligheid tussen twee oceanen en het begin van de War on Terror waar we nu 15 jaar later nog middenin zitten met alle gruwelijkheden in Irak en Syrië. De wereld is not a safer place geworden, integendeel.

Er is gisteren en in de aanloop naar 9/11 veel geschreven en uitgezonden over toen en hoe New York zich er bovenop vocht en vooral weer heel erg New York werd en bleef. Jay McInerney komt er woensdag over vertellen bij het John Adams Institute en over het derde deel van zijn trilogie over New York van eind jaren ’80 tot rond 2008. Vorige week las ik zijn The Good Life dat gaat over hoe levens en een life style werden geraakt en veranderden door de aanslagen.

Volgens velen in de V.S. is 9/11 net zulke nep als de maanlandingen en zijn de aanslagen in New York en Washington een inside job met vooral Dick Cheney als één van de geestelijk vaders. De aanslagen zouden het excuus zijn om de Amerikaanse samenleving te knevelen, vrijheden te beperken en vooral in het Midden-Oosten vrijelijk aan de slag te kunnen. Het is een verhaal dat Donald Trump zomaar uit zijn mouw zou kunnen schudden…

In A New York Minute

a_most_violent_year_photoIn 1981 waren er in New York meer dan 120.000 overvallen en ruim 2.000 moorden. Dat jaar was een crimineel topjaar, ‘a most violent year’ en dat is dan ook niet toevallig de titel van de indrukwekkende nieuwste film van J.C. Chandor, de regisseur die eerder onder meer Margin Call over de melt down op Wall Street maakte.

‘In A New York Minute, Everything Can Change’ zong voormalig Eagles-drummer en -zanger in zijn epische New York Minute, en dat is precies het gevoel dat de hoofdrolspeler Abel Morales de hele tijd moet hebben als zijn bedrijf en hij en zijn familie bedreigd en voortdurend beroofd worden in het bijna rechteloze en doodbloedende New York waar ook de politie geen zin meer heeft de rommel op te ruimen.

Chandor maakt een fraai gestileerde en overtuigende zedenschets van A Most Violent Year. Oscar Isaac als Abel Morales lijkt als twee druppels water op de voormalig Deense international en Ajax- en AZ-middenvelder Kenneth Perez, gekruist met een flinke snuf Al Pacino van eind Godfather II. Morales wil goed blijven doen en op het zo recht mogelijke pad blijven, zijn vrouw – de dochter van een Maffia-baas- heeft minder scrupules in de bak met haaien die New York heet.

Niemand is zuiver op de graat, iedereen probeert zoveel mogelijk voordeel te halen ten koste van de concurrent, en in the end – wil de ambitieuze openbaar aanklager de politiek in en hij weet genoeg van het bedrijf van het steeds groter wordende bedrijf van Morales om heel lang verzekerd te zijn van zijn steun en Morales heeft zo straks toegang tot een politieke ‘vriend’. De ene hand wast de andere. Met New York ging het na 1981 alleen maar beter, dus de deal werkte. Hoopvol of cynisch? Oordeelt zelf.

Evil Ways

american_hustle4Het is eind jaren ’70. De Verenigde Staten likken de wonden van Watergate en Vietnam. Jimmy Carter is de nieuwe president die zich – na Nixon en zijn trawanten – graag afficheert als een Mr. Clean. Intussen hustlet iedereen zich door het leven heen met klein en groter bedrog.

Het fascinerende van de met lof overladen film American Hustle van regisseur David O Russell is dat niets of niemand is wat het of hij of zij lijkt. Het is net een groot schimmenrijk waarbij je telkens op het verkeerde been wordt gezet, goed niet echt van fout kunt onderscheiden, sympathieën telkens schuiven, en de plot eigenlijk ook weer uit een hoge hoed komt.

Christian Bale is een fantastische hoofdrolspeler, maar natuurlijk geen Amerikaan. Zijn enorme bierbuik is speciaal voor de film gekweekt. Amy Adams speelt een Britse achtergrond, maar komt uit Albuquerque, New Mexico. De sjeik die Atlantic City moet redden, is een Mexicaan. In de kofferbak die opengaat ligt nu eens geen lijk, maar een gloednieuwe magnetron. Het is steeds niet wat je denkt dat je ziet in American Hustle.

Het Amerika van American Hustle is het land van bedrog waar iedereen graag een graantje meepikt. Het is het land van de grote benzineslurpers, de te buigzame politici,  waar ambitie best wat mag kosten, en waar je bij grote projecten niet om de Maffia heen kunt. De enige FBI-agent die geen zin heeft om mee te doen in het spel van list en bedrog en set ups, wordt in elkaar geslagen door een verblinde Bradley Cooper (leuk, met mini-haarkrullers) en weggehoond.

American Hustle is een fantastische acteursfilm, rijk aan talent, waanzinnige wendingen, een fraai seventies decor, briljante pakken en brillen en kapsels, en met een prachtige soundtrack die mij direct terug sleurde naar mijn jonge jaren ’70 met zo perfect toepasselijke tracks van Steely Dan (Dirty Work), Santana (Evil Ways) en Paul McCartney ( Live and Let Die). Het verhaal schijnt deels waargebeurd te zijn. Schijnt. Maar welk deel? Gaat dat horen en zien.

Achtervolgingswaanzin

yes+we+scan

Morgen vieren we de verjaardag van Hedda, onze Benjamin (v). Zij is uit de roerige maand september 2001. Net na 9/11. America under attack. Plots lagen er hier sluipschutters bij de Coentunnel en op andere strategische punten. De angst was groot. En ging nooit meer weg.

Na de angst kwam The War on Terror van Bush en Cheney c.s. Saddam Hoessein is dood. Bin Laden is dood. Maar de wereld is nog steeds geen safe place. Net weer Nairobi. En morgen nog steeds Afghanistan. It’s A Mad Mad Mad Mad World.

Met angst als raadgever is er een complete veiligheidsindustrie uit de grond gestampt die ons overal betast, scant, screent, staande houdt en naar goeddunken opsluit. Onze vrijheid is ons zoveel waard, dat we er graag flink aan knabbelen. Want ach: wie niets te verbergen heeft… U kent dat soort Opstelten-retoriek wel.

Geweld lokt geweld uit, en angst zaait nog meer angst, en in de tussentijd wordt ons een schijnveiligheid voorgespiegeld. We worden massaal en overal gevolgd en afgeluisterd, maar dat is voor onze bestwil. Namens ons worden we gecheckt en gevolgd. Yes we scan.

Misschien mogen we over twee jaar weer wel tandpasta meenemen in onze handbagage. Dat zou enorme winst zijn. Al die ongepoetste bekkies in het vliegtuig produceren enorm veel gifgas. Nu we het daar toch over hebben: laten we het er nu bij zitten in Syrië, of bombarderen we nog wat gifdepots? Of is daar de angst ook groter dan het dreigend moreel failliet van ons allemaal?

Morgen 12 kaarsjes. Morgen is het feest. En Hedda was al in New York. Ofschoon het nog wel even zweten was toen bij haar als enige de vereiste ESTA maar niet doorkwam. Alsof juist zij toen extra werd gescreend. Hedda uit die historische septembermaand uit 2001 die ons leven nu zo overschaduwt. Zou John Kerry dit nu lezen? Of is dat pas echt achtervolgingswaanzin?

Summer in the City

summerinthecity

Na eindeloos geklaag en gekanker was er gisteren dan eindelijk de zon, en de stad explodeerde spontaan en massaal. Terrassen puilden uit, de Amsterdamse bevolking en het toeristenvolk leek zich in no time vermenigvuldigd te hebben, en iedereen zoog de zonkracht bijna desperaat op, alsof het elk moment weer voorbij zou kunnen zijn.

Het was gisteren – en nu met een winderige follow up – Summer in the City. Wie kent niet die prachtige single van The Lovin’ Spoonful die in de zomer van 1966 wereldwijd een hit was? Het is een iconisch nummer, en je wordt er in 2 minuut en 41 seconden helemaal blij en uitgelaten van. Happy Together.

Grappig is dat de single allerlei straatgeluiden heeft en het instrumentele tussenstuk van de song en naar ik begrijp horen we daar ook een toeterende VW Kever, de hippe auto van hip Amerika in 1966. Overigens was Summer in the City niet de eerste en ook niet de laatste hit voor The Lovin’ Spoonful. De New Yorkse band van John B. Sebastian scoorde ook met Daydream, Rain on the Roof en Darling Be Home Soon grote hits.

Summer in the City was in Nederland de grootste hit van The Lovin’ Spoonful. De single bereikte de tweede plaats en stond maar liefst dertien weken in de Top 40. Om maar even aan te geven hoe wij altijd al snakten naar de zon en de warmte. Maar ja, ons land ligt gewoon verkeerd. Maar dat wil er maar niet in. En dus hangen we als onze lifeline  aan klassiekers als Summer in the City of Mr. Blue Sky.

Speaking in Tongues

Talking+Heads+live.1

De Heilige Geest vind ik veruit het vaagst van de heilige drie-eenheid. God kan ik wel plaatsen. Dat is de CEO. Onzichtbaar in zijn loft op de 14.296e etage, maar wel alom aanwezig. Zijn zoon werd zelfs vlees en bloed, maar zal daar nog steeds met gemengde gevoelens terugkijken op zijn korte bezoek aan die schepsels van zijn vader.

De Heilige geest verschijnt ook niet, maar wordt uitgestort, ik heb dat altijd een intrigerend begrip gevonden, zeker omdat de discipelen van Jezus erdoor ‘in tongen gingen spreken’ en zo het evangelie in alle talen verkondigden. Zo was de christelijke kerk geboren. Waarachtig een wonder. Goed om daar jaarlijks twee Pinksterdagen voor uit te trekken.

En nu we het toch hebben over Speaking in Tongues. Het is de titel van het vijfde album van The Talking Heads uit New York, een album dat losser en luchtiger klinkt dan briljante voorgangers zoals Fear of Music, en het door mij nog immer bewierrookte Remain in Light, met de hypnotiserende chant Once in a Lifetime.  

Ik heb The Talking Heads één keer live gezien, in de Jaap Edenhal, het zal 1981 zijn geweest, met bijzondere support acts The B-52’s en Pearl Harbor and the Explosions. Het oorspronkelijke kwartet uit New York was voor die tour groots uitgebreid tot een waanzinnig swingbedrijf met inhoud en voorganger David Byrne als de hoeder van de heilige geest van een band op de pieken van creativiteit: You may ask yourself, where does that highway lead to?

Vandaag geen Op een mooie Pinksterdag, geen zon maar regen, geen Leen Jongewaard en André van den Heuvel in de musical Heerlijk duurt het langst, niet meer madeliefjes plukken en eendjes voeren met m’n dochter(s) aan de hand, en nog even geen zorgen over een behanger, een Franse zanger, of iemand uit Den Haag. Handen thuis, en lazer op. Speaking in Tongues papa style…

Arendtsoog

HannahA.poster

Dit weekend twee films gezien waar de critici maar niet echt warm voor konden lopen. Volgens de recensenten zijn A Late Quartet en Hannah Arendt echt van die drie-sterren-films, de categorie ‘interessant maar jammer.’

A Late Quartet – een mooie dubbele titel – is zeker interessant, een muziekfilm die gaat over liefde, ambities, verraad en continuo, een film die klein oogt maar vol met grote acteurs loopt, waarbij de parallel prachtig is tussen de pressure cooker van een bijna-ontploffend kwartet en de zwanenzang van Beetghoven in zijn opus 131.

Hannah Arendt gaat over Hannah Arendt, maar vooral over het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem in 1961 en haar visie daarop en op de essentie van het kwaad in The New Yorker. Deze film is helaas alleen in potentie interessant, de toch gelauwerde regisseuse Margarethe von Trotta komt niet veel verder dan een wat bordkartonnen observatie vol dialogen die veel vertellen maar veel te weinig duiden.

De film mist scherpte, in opzet, in regie, in dialogen, in actie, het lijkt eerder een wat ingetogen tv-film met uitleg in plaats van gevoel. Nergens wordt het verhaal ook jouw of mijn verhaal, het blijft op afstand, als iets wat ook Hannah Arendt maar overkomt.

Gemiste kans, heet dat dan in recensentenjargon, terwijl het Ahrendtsoog op de rol van Eichmann en de banaliteit van het kwaad baanbrekend was, en daarom zo fanatiek werd bestreden. En wat werd er trouwens veel gerookt in de film, het leek af en toe wel op Mad Men dat om de hoek van het huis van Ahrendt in New York speelt.

Smooth Operator

Childhood photo of David Geffen, Coney Island, NY. Photo courtesy of PBS

In 2000 reed ik met vrienden de historische Route 66 van Chicago naar L.A. en in eindpunt Santa Monica kocht ik een gesigneerd exemplaar van het boek The Operator van Tom King over David Geffen, de meest invloedrijke man in de Amerikaanse muziek- en filmindustrie, en één van de rijkste mensen in Amerika.

Ik kende de naam David Geffen wel, maar associeerde hem vooral met een voor in mijn ontwikkeling belangrijke periode in de jaren ’70 toen hij samen met Elliott Roberts het platenlabel Asylum Records (‘Crazy about music’) had en de grote motor was achter mijn seventies ‘helden’ The Eagles, Jackson Browne en J.D. Souther.

Dat Geffen zo groot werd en is, mag een klein wonder heten. Eigenlijk had hij alles tegen. Een verlegen, Joodse, homoseksuele jongen uit Brooklyn zonder veel talent. Maar Geffen bleek wel een enorm talent te hebben voor het herkennen en exploiteren van de talenten van anderen en hoe daar ongelooflijk rijk mee te worden.

Maar alles heeft een prijs. Zo beschermend en lief als Geffen kon zijn voor zijn artiesten en vrienden, zo meedogenloos en into your face kon The Operator zijn, en hij vergat nooit iets. Meedogenloos, egomaan, en tegelijkertijd altijd op zoek naar liefde, aandacht en erkenning. Ach, it’s that same old story.

Geboeid keek ik in Het Uur van de Wolf deze week naar de documentaire David Geffen wint altijd, een prachtig tijdsdocument en een boeiend portret van een smooth operator met de kracht van een atoombom. Aan de documentaire werkte Geffen mee, aan het boek van King ook, maar hij gaf het niet zijn zegen, het is ook nogal een hard en confronterend boek, eigenlijk exact zoals Geffen zelf.

Geloof in toeval

Waitingforasign

Dat is ook toevallig. Hoe vaak hoor je dat niet zeggen. Maar hoe toevallig is toevallig? En bestaat toeval eigenlijk wel? En zo ja, wat is het dan? Drie Amsterdamse psychologen schreven het boek Dat kan geen toeval zijn, maar toeval of niet, dat boek gaat over bijgeloof, over eerst even afkloppen.

Net als geloof is bijgeloof van alle tijden. We hebben het er niet graag over, want we vinden het maar wat raar, maar er zijn boeken vol te pennen over bijgeloof en bijbehorende rituelen. Zo speelden Feyenoorders in hun gloriejaren ’70 in de onderbroek van vrouw of vriendin. Het bracht succes, dus bleven ze het doen.

Cruyff tikte altijd de Ajax-goalie voor de wedstrijd zachtjes in de maag, het zou de zege zeker stellen. Doelman Hans van Breukelen had een enorme lijst aan rituelen, waaronder eerst poepen, dan wat lezen, warming up en tot slot nog een plasje voor de wedstrijd. Zelf tik ik voor de wedstrijd altijd een paar keer tegen de rechterdoelpaal, ik probeer het houtwerk of aluminium zo tot vriend van de dag of voor het leven te maken.

Geloof, bijgeloof, toeval, pech, het lijkt een grote brij, maar iedereen heeft het er over, dus heeft het ook een zeker belang, zo vinden ook de auteurs van Dat kan geen toeval zijn. Maar als een voetbalverslaggever roept dat een spits pech heeft omdat hij voor de tweede keer op de lat schiet, denk ik altijd dan moet je beter mikken. Toeval of talent?

En hoe toevallig is het als je in New York een bekende tegenkomt? Je mag in ieder geval aannemen dat je er meer niet tegenkomt dan wel. En heb je dan juist weer pech? Toeval, bijgeloof, hoe het allemaal heet, kwaad kan het ook niet echt, tenzij het je ganse leven gaat dicteren. Volgens de schrijvers die ervoor doorleerden kan vooral positief bijgeloof geen kwaad, van geluksmuntjes tot duimen voor een ander. En werkt het niet, dan heb je pech, of is het gewoon toeval?