Toen het water kwam

Wat waren we weer gefixeerd op een komende Elfstedentocht, en dus kwam uit alle laden de beelden van de heroische tocht der tochten uit 1963, de tocht die Reinier Paping won, en wat hem eeuwige roem in Friesland en ver daarbuiten bracht. Maar net nu het ijs wijkt en de sneeuw smelt, herdenken we tien jaar verder terug in de tijd, de Watersnoodramp van 1953.

Ik herinner mij dat in mijn ouderlijk huis een herdenkboek over de Watersnoodramp lag met de zeer veelzeggende titel De Ramp, Veel aangrijpende zwart witfotografie over eindeloze watermassa’s, verdronken paarden, boten met geredde mensen, en nu bijna prehistorische helicopters. De Duitsers waren koud weg, of een zware noordwesterstorm, springtij, en onzekere dijken maakten een ramp die zo’n 1.800 mensen in Zeeland en Zuid-Holland en een beetje Brabant het leven kostte.

Toen het water kwam. Een ramp. Zeker. Zeker ook voor ons net een beetje herwonnen zelfvertrouwen na vijf jaar Duitse bezetting. Opnieuw bleek hoe kwetsbaar ons kikkerlandje was. Dijken die weken, vruchtbaar land dat overspoeld en voor jaren onbruikbaar werd. Het land dat altijd al vocht tegen het water, zou zich nog slimmer en vastberadener moeten tonen.

Van De Ramp, een paar geleden verfilmd als De Storm, kwam uiteindelijk veel goeds. De Deltawerken zouden ons gaan beschermen, en onze kennis van hoe om te leven met en om te gaan met het altijd dreigende water, werd een exportprodukt van enorme omvang. Van ellende naar winst, zo kan het gaan.

Het was een mooie Andere Tijden vanavond over De Ramp, zonder commentaar, maar met alleen commentaar van toen, toen de tv er nog maar net was, maar niemand die die 1e februari wist wat er werkelijk aan de hand was en hoe groot de ellende was, laat staan dat het woord ramp viel. Nu, 60 jaar later, staat de Watersnoodramp als een icoon in onze geschiedenis, in de strijd voor ons bestaan, en worden we gepast klein als we beseffen hoe genadeloos God toe kan slaan.

En in het Journaal na Andere Tijden aandacht voor Engeland waar gevreesd wordt voor overstromingen door enorme hoeveelheden smeltwater. Van watersnoodramp naar watersnoodramp. Het is geen toeval, het is gewoon ook de tijd van het jaar. Maar wij lijken ons nu veilig te weten achter de dijken. De Engelse waterhuishouding is al heel lang en elk jaar weer een aantal keren een grote bron van zorg. Misschien moeten wij Cameron maar eens te hulp komen, net als al die buitenlandse militairen die in 1953 ons te hulp schoten.

Geelzucht

Het heeft lang geduurd. Iedereen wist het al. Maar nu heeft Lance Armstrong dan eindelijk zijn zonden opgebiecht. Bij Oprah. Want zo doe je dat als groot kampioen. Dan ga je in de schijnwerpers staan, daar waar je hoort, daar waar je altijd hebt gestaan, en waar iedereen je voeten en je kont kustte, omdat iedereen die zelfde geelzucht deelde.

Iedereen wist het al. Iedereen weet het al heel lang. ‘De verkeerde snoeppot,’ zo bagatelliseerde en vergrapte Mart Smeets het flikken en flessen, het spuiten en slikken. Iedereen wist het altijd al. Doping en wielrennen is een gedwongen huwelijk. Er is geen gek die op een liga en een smoothie Alpe d’Huez oprijdt. Tommy Simpson. Wie kent hem nog?

Het is net de Cosa Nostra, de Maffia, zo u wilt. Dat is een grote familie met bijzondere spelregels en de geheimhoudingsplicht als erecode, de omerta. Wie praat, die ligt eruit, en wordt in beton gestort. De wielersport heeft vele trekjes van de Maffia, met Lance A. in de rol van drugsbaron, en de Marten Smeets als de familieleden die van alles zien, weten en vermoeden, maar weten dat hun plek aan de tafel slechts gegarandeerd is zolang de monden verzegeld zijn.

Iedereen wist het al heel lang. Iedereen heeft geelzucht. En de wielersport geeft eigenlijk de liefhebbers de schuld. Zulke onmenselijk zware prestaties, tsja, daar moet wel wat extra krachtvoer bij, pilletje hier, bloedtransfusie daar, en dan komen we de Galibier en de Tourmalet ook wel weer over. Wij wielrenners hebben alles voor onze sport over, dus de liefhebber moet ook maar wat slikken en niet zo zeuren.

Misschien ziet Mart Smeets hier ook wel weer een boekje in. Hij heeft nu in ieder geval alle bewijs dat hij altijd zo miste om eens fijn uit de wielrenschool te klappen. Hup Mart, schrijven, in twee weken moet er iets kunnen liggen. Waarom ik voor Armstrong toch een lance brak, of zoiets, daar kom je vast wel uit.

En wij? Wij gaan straks gewoon weer kijken. We worden gek als die Elfstedentocht er eindelijk weer komt. Maar ook in de hel van ’63 gingen de pilletjes van hand tot hand. Tony Adams van Arsenal nam altijd a few pints voor de wedstrijd. En in de voormalige DDR groeide epo op ieders bovenlip. Schone sport? Graag. Maar iedereen heeft geelzucht. En wat is het fijn om de andere kant op te kijken. Daar waar eer en glorie op het podium staan. Daar waar onze helden boven ons en boven zichzelf uitstijgen.