Het Ken-neth

vermeer-nadert-de-100-met-bizarre-cijfers-570x268

Job Cohen wist het al: wij zijn allen amateurs. Dat geld zeker voor bet armzalige Ajax dat gisteren gefileerd werd door een weder opgestaan PSV. De trots van Mokum zakte ongenadig door het ijs. Waar de 4-0 nederlaag tegen Barcelona nog als hoopvol werd beschouwd, waren dezelfde verliescijfers in Eindhoven de aankondiging van ellende en crisis.

En wie had het gisteren allemaal gedaan? Kenneth Vermeer. De keeper. Al tijden wordt Vermeer ‘gezocht’ omdat hij te veel fouten zou maken. Tsja. Misschien. Misschien blundert hij af en toe opzichtig. Maar hij haalt er ballen uit die een andere keeper niet eens ziet. En dat zijn er nog al wat. Want de puinhoop die een Amsterdamse verdediging heet, moet voor een keeper een gruwel zijn. Wat een ruimte, wat een gaten.

Alle ellende begon bij Cruyff, hij van die fluwelen revolutie waar Ajax nu zo’n plezier van heeft. Hij begon met Menzo op de middenlijn, en ook die keeper werd geslacht. En nu ligt er voor Vermeer weer net zo’n ruimte, en krijg je als international bij een would-be-topclub nog meer werk dan wat ik moet verstouwen op een bewolkte zondagmiddag bij SC Buitenveldert.

Keepers zijn rare types. Die schrijf je niet de wetten voor, die laat je in hun waarde. Die laat je staan. Ook na zo’n glibber in Eindhoven. En ik kan het weten. Ik keep al 45 jaar. Nooit discussie. Altijd vertrouwen. Ook als ik glibberde. Dus al Ken-het-neth, toch maar lekker laten staan die Vermeer.

Geloof in toeval

Waitingforasign

Dat is ook toevallig. Hoe vaak hoor je dat niet zeggen. Maar hoe toevallig is toevallig? En bestaat toeval eigenlijk wel? En zo ja, wat is het dan? Drie Amsterdamse psychologen schreven het boek Dat kan geen toeval zijn, maar toeval of niet, dat boek gaat over bijgeloof, over eerst even afkloppen.

Net als geloof is bijgeloof van alle tijden. We hebben het er niet graag over, want we vinden het maar wat raar, maar er zijn boeken vol te pennen over bijgeloof en bijbehorende rituelen. Zo speelden Feyenoorders in hun gloriejaren ’70 in de onderbroek van vrouw of vriendin. Het bracht succes, dus bleven ze het doen.

Cruyff tikte altijd de Ajax-goalie voor de wedstrijd zachtjes in de maag, het zou de zege zeker stellen. Doelman Hans van Breukelen had een enorme lijst aan rituelen, waaronder eerst poepen, dan wat lezen, warming up en tot slot nog een plasje voor de wedstrijd. Zelf tik ik voor de wedstrijd altijd een paar keer tegen de rechterdoelpaal, ik probeer het houtwerk of aluminium zo tot vriend van de dag of voor het leven te maken.

Geloof, bijgeloof, toeval, pech, het lijkt een grote brij, maar iedereen heeft het er over, dus heeft het ook een zeker belang, zo vinden ook de auteurs van Dat kan geen toeval zijn. Maar als een voetbalverslaggever roept dat een spits pech heeft omdat hij voor de tweede keer op de lat schiet, denk ik altijd dan moet je beter mikken. Toeval of talent?

En hoe toevallig is het als je in New York een bekende tegenkomt? Je mag in ieder geval aannemen dat je er meer niet tegenkomt dan wel. En heb je dan juist weer pech? Toeval, bijgeloof, hoe het allemaal heet, kwaad kan het ook niet echt, tenzij het je ganse leven gaat dicteren. Volgens de schrijvers die ervoor doorleerden kan vooral positief bijgeloof geen kwaad, van geluksmuntjes tot duimen voor een ander. En werkt het niet, dan heb je pech, of is het gewoon toeval?

Doodsangsten

A.F.Th. van der Heijden is geprezen om en bekroond voor zijn Tonio, het verhaal over zijn zoon die bij het Leidsplein in Amsterdam werd doodgereden. Ik heb het boek niet gelezen, ik durf niet, durf niet diep genoeg in het verhaal mee te gaan omdat ik daar mijn diepste angsten ontmoet. En daar moet ik al elke dag mee leven.

Vorige week kwam Mijsje niet thuis. Geschept door metrolijn 51. Dood. Ik schrok enorm toen ik het bericht langs zag komen. Lijn 51. Die komt langs de school van onze oudste dochter. Het zal toch niet. Het kan niet. Het mag niet. En het was niet. Maar het was wel Mijske. En als dan de moeder een bekende blijkt, stroomt het verdriet nog dieper naar binnen.

Ik leef met mijn angsten. Ik kan me niet voorstellen dat mijn kinderen niet thuis komen. Maar het gebeurt zo maar. Klap. Weg. Op de fiets. Of op school in Newtown, Connecticut. Het is niet te bevatten. En het verdriet moet hartverscheurend en onpeilbaar diep zijn.

We prevelen, we hopen, bidden en smeken dat de dood aan onze deur voorbij gaat. Het mag ook gewoon niet om als ouder je kind te moeten begraven, er is geen groter leed. En nu ik het opschrijf, hoop ik toch een heel klein beetje het ongeluk weer voor even te hebben afgewend. Zoals ik op zondagmiddag voordat de wedstrijd begint altijd even een paar tikjes met mijn keepershandschoen tegen de doelpaal geef. Het zou zomaar kunnen helpen.

Wat zeker ook zou helpen is als we het minder gevaarlijk voor elkaar maken. Als het ik soms even kan wachten. Hier in de buurt kookt mijn bloed onregelmatig vaak als ik zie hoe hard en onbeschoft er wordt gereden. Een 30-kilometer zone is aardig, maar het gros van de automobilisten trekt zich er niets van aan. Plankgas door de eenrichtingstraat. En wat valt nog meer op? Dat in de meeste van die Audi’s en Golfs (ja, sorry..) leuke, felgekleurde kinderzitjes zitten. Ze zouden zelfs zo hun eigen kinderen kunnen doodrijden.

Ik sta doodsangsten uit. Op mijn eigen tournees door de stad kom ik bijkans ogen tekort om alle gevaarlijke situaties het hoofd te kunnen bieden. Een paar weken geleden zag ook ik het niet aankomen. Een ouder liet zijn kind op straat uit de auto stappen, en ik kon het op het fietspad openknallende portier niet meer ontwijken. Dankzij mijn vele jaren keeperservaring kwam ik nog redelijk terecht. Ik had ook dood kunnen zijn. Het had ook één van onze dochters kunnen zijn.