Dit zijn de namen

DitzijndenamenIn Het Parool las ik dat in een extra ledenvergadering van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders Hennie de Haan gekozen is tot nieuwe voorzitter. Ze had haar naam mee, zullen we maar zeggen. Ofschoon zij natuurlijk De Kip had moeten heten.

Soms zit het mee en soms zit het tegen met je achternaam. Op mijn Middelbare School zat een tweeling met de achternaam Poepjes. Op een gegeven moment zijn alle grappen wel gemaakt, maar toch.

Op scholen kom je best veel kindernamenleed tegen. Want welke ouders noemen hun dochter nu Haas? Hebben ze heel hard moeten lachen, snappen ze het echt niet, of moet het kind gehard het leven door? Mijn naam is Haas. Lachuuuh. Maar ja, als Haas kan, dan kan Beer ook, en Wolf. Zijn er ook nog ouders die hun dochter Poes noemen? Het zou me niet verbazen.

Altijd als je denkt dat je alles hebt gehad, dan waait er weer een nieuwe trend langs. Jaren terug had je overal Storm. Storm is even gaan liggen, was dan onze grap op het kinderdagverblijf. Maar je had ook Bikkel en Erts, lekker aards. En toen kreeg je alle Verenigde Staten en zat opeens Alaska de Boer naast je kind, of Texas Jansen.

Ouders kijken niet zo nauw, maar als kind moet je er wel een leven mee doen. En wie afwijkt, wordt gepest en uit de groep geknikkerd. Het is dus niet leuk om Haas of Poes te heten, of Kathmandu Koopman of Bono Blijham. Maar onze fantasie kent geen grenzen, en bij de burgerlijke stand mag bijna alles. Adolf waarschijnlijk ook. Maar dat doe je je kind toch niet aan. Toch?

Bel ff anders

Ik kom zelden meer op het schoonplein. Binnenkort zwaait ook onze jongste dochter af van de basisschool, en paps of mams hoeven niet meer te halen en te brengen. Ik ken inmiddels ook steeds minder mensen daar, maar knik en zwaai en groet nog menigeen van de oude hap.

Sylvia Witteman heeft ook kinderen op ‘onze’ school. Ik zie haar wel eens. Soms denk ik dat ik haar dan moet vertellen – de zoveelste – hoe we schaterlachend haar column hadden gelezen, en dat ze van die heerlijke treffende analyses componeert over het huidige tijdsgewricht en al dan niet vrolijke mensen-in-de-war.

Maar dat aanspreken komt er niet van. Ze heeft een blik die niet direct uitnodigt, maar die je op gepaste en gewenste afstand houdt. Ook prima. Want wat moet je met dat gezever en die complimenten van een andere schoolpleinouder terwijl je je net suf hebt getrapt op de fiets om je bloedjes op tijd op te kunnen halen en zo weer langs alle clubjes moet crossen? Begrip. Respect.

Dan maar langs deze onpersoonlijke weg de mededeling dat ik gesmuld heb van haar Big mama is watching you, de coverstory van Volkskrant magazine afgelopen zatedag. Witteman leidt ons langs één van de meest kangende vragen van nu: hoe oud moet een (je) kind zijn voor een mobieltje, en voor wie is dat mobieltje dan eigenlijk?

Fraai en fijntjes neemt Witteman je mee door je eigen leven, je eigen afwegingen, gedram, nepargumenten en menige ruzie over wat voor velen – en zeker voor kinderen – het belangrijkste ter wereld is: de mobiel. Nu scheelt dat wel per kind, in ons geval per dochter. De oudste is het verlengstuk van haar mobiel, de jongste taalt er niet naar, belt af en toe of ze ergens mag spelen en is vervolgens volledig onbereikbaar.

En ja, die afspraken, en wat wanneer wel, en waarom toch niet, of zoals Witteman zo mooi schreef: “niet aan opa’s sterfbed.” Maar aan alles komt een eind. Ook de massale verslaving aan een apparaatje. Zo geeft Sylvia Witteman op het eind ook nog hoop en uitzicht, zij ziet een toekomstige generatie die weer helemaal los is, disconnected, en onbereikbaar, dat is toch eigenlijk veel cooler. De mobiel is dan – niet zo smart meer – voor losers en bejaarden.