Bloed, zweet en tranen

Bruce-Springsteen-Pressebild-Januar-2014-Sony-Music_image_660André Hazes. Met bloed, zweet en tranen en heel veel bier haalde hij de 53 jaar. Gisteren was zijn tiende sterfdag. Onze geliefde volkszanger werd weer rijkelijk bewierookt. Hoe uniek hij was. Van de blues. En hij had een randje. Dat maakte hem echt. Ja echt, een randje.

Over de doden niets dan goeds, en Hazes leeft 10 jaar na dato nog steeds gewoon door en is van camp en cult tot megaster in ruste geworden. Tsja, dat randje. Dat hebben de Jantjes Smit van nu niet, betoogde de randjesdeskundige bij RTL.

Bruce Springsteen heeft wel een randje. En wat voor een. Hij is niet voor niets The Boss. Baas boven baas. En terwijl wij terugdachten aan Dré, vierde Springsteen zijn 65e verjaardag. Met bloed, zweet en tranen en de energie van een eeuwig jonge God staat Springsteen op deze pensioengerechtigde leeftijd hoog bovenop de Olympus der grote muziekgoden.

Al een jaar of 40 speelt Springsteen alsof elk concert en elke plaat zijn laatste kan zijn. Terugdenkend realiseerde ik mij dat het dan toch ook al zo’n 30 jaar her moet zijn dat ik The Boss in De Kuip in Rotterdam zag, hoewel ‘zien’ van die grote afstand een groot woord is. Ik herinner mij ook de bewegende tweede ring van De Kuip, vibrerend onder de dansende massa. Bij Feyenoord heb je dat niet vaak. Maar daar heb je wel veel bloed, zweet en tranen. En veel bier om het weg te spoelen.

Mannen met lijstjes

Hi-Fi1Zelfs met verlenging en penalty’s tussen Duitsland en Argentinië kun je vanavond nog op tijd zijn voor de film High Fidelity, om 23.55 uur op SBS6. Niet dat de film zo bijzonder is. Wel bijzonder is dat de film gebaseerd is op het bijzonder succesvolle – en hilarische – boek High Fidelity van Nick Hornby.

High Fidelity laat zien hoe raar de filmwereld is. Het boek van Hornby is zo Brits als Brits maar kan zijn, maar de filmproducenten besloten het verhaal te verplaatsen van Londen naar Chicago en toen was er dus weinig Brits meer aan de film, behalve – dat dan weer wel – de Britse regisseur Stephen Frears.

High Fidelity is het verhaal van hoofdrolspeler Rob Fleming – in de film heet hij Rob Gordon, John Cusack (foto) speelt hem – een middertiger die maar niet volwassen wordt en die met twee andere lotgenoten een obscuur platenzaakje runt waar alleen echte liefhebbers en die hards welkom zijn.

Hun leven bestaat uit muziek en uit lijstjes met muziek: de vijf beste intro’s, de albums die je mee zou nemen naar een onbewoond eiland. Mannen met lijstjes. En de existentiële vraag: kun je wel een relatie hebben als je vriendin niet dezelfde muzieksmaak heeft?

In het boek is al het getob en gefreak hilarisch – Kraftwerk Unplugged, hoe verzin je het.. -, in de film is het lauw of op zijn best handwarm te harden. Maar misschien als je de film aardig vindt is het de perfecte opstap naar het boek van Hornby. Al ruim 20 jaar oud, maar heerlijk tijdloos. De echte aanrader.

De gevoelige plaat

OLYMPUS DIGITAL CAMERAEen Amerikaans gezegde stelt dat you can’t judge an album by its cover. Ik betwijfel of dat klopt. Een album maakt – als het goed is – onlosmakelijk deel uit van de plaat, de muziek, het artistieke concept. Dan is het boeiend en belangrijk om te kijken hoe de platen van de plaat tot stand zijn gekomen. Beter gezegd: waar werden beroemde hoezen gefotografeerd?

Het Britse dagblad The Guardian ging met Google Street View terug naar de locaties waar klassiekers als Abbey Road van The Beatles, Willy and the Poor Boys van Creedence Clearwater Revival, Moving Pictures van Rush en Freewheelin’ Bob Dylan werden gefotografeerd.

Zo liep Bob Dylan ergens in 1963 met zijn vriendin Suze Rotolo door Jones Street in The West Village in New York, en door Guardian en Google kunnen we toen en nu samen zien. Waar was het? En hoe ziet het er nu uit? En wat is dan de meerwaarde dat we dat weten?

De gevoelige plaat was het album vol muziek, maar de gevoelige plaat was natuurljk ook de hoes, het beeld, de verbeelding van de muziek, de visuele vertaling van noten en nummers. In 1963 liep Dylan nog door een straat, in de jaren ’70 begonnen ontwerpers als Roger Dean en Hipgnosis de muziek een vaak bijzondere meerwaarde te geven. Het album was van verpakking tot kunst gepromoveerd. Dat heet een omslag.

De wereld als grote pinautomaat

The Rolling Stones bestaan 50 jaar. Een halve eeuw Jagger en Richards, wie had dat way back in 1962 kunnen denken.

De jonge helden van toen zijn (toch) oud geworden, voor hen – behalve voor Brian Jones – ging het klassieke ‘Hope I die before I get old’ uit ‘My Generation’ van The Who niet op.

De VPRO Gids van deze week heeft een prachtige foto van een jonge en supercoole Mick Jagger op de omslag, het lijkt wel een schilderij, of een tijdloze reclameposter voor overhemden, het is gedateerd maar kan ook gisteren zijn geschoten, en misschien is dat wel de grote kracht van Jagger, de Karma Chameleon van rock ’n roll.

En zo leven de Stones inmiddels al een halve eeuw hun eigen legende, het zo prachtig bedachte imago van de woesterikken, the bad guys, de slechte neefjes van The Beatles, de geilneven waar je dochter nooit veilig was, alles werd gezopen en gesnoven en gepakt, en rock ’n roll een levensstijl werd waar Satisfaction de upside was van het insluipende verval.

Ik vond The Rolling Stones als image interessanter dan als band. Als ik dan in het klassieke duel tussen beide Britse grootheden moest kiezen, dan waren het voor mij toch The Beatles. Meer muziek, meer inhoud, more mileage. The Beatles zijn al heel lang geschiedenis, maar The Rolling Stones eigenlijk ook. Van de halve eeuw Stones zijn de laatste 25 jaar voorbij gegaan zonder muzikale kicks.

En nu in dit magische jubileumjaar zijn er boeken, verzamel-cd’s, een enkele nieuwe song, en ongetwijfeld nog enkele concerten die de kassa enorm zullen doen rinkelen, ‘de wereld als één grote pinautomaat.’ En ach, zit de knipoog ook al niet heel vet in het prachtige zinnetje ‘I know, It’s only rock’n roll, but I like it.’