Dit zijn de namen

DitzijndenamenIn Het Parool las ik dat in een extra ledenvergadering van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders Hennie de Haan gekozen is tot nieuwe voorzitter. Ze had haar naam mee, zullen we maar zeggen. Ofschoon zij natuurlijk De Kip had moeten heten.

Soms zit het mee en soms zit het tegen met je achternaam. Op mijn Middelbare School zat een tweeling met de achternaam Poepjes. Op een gegeven moment zijn alle grappen wel gemaakt, maar toch.

Op scholen kom je best veel kindernamenleed tegen. Want welke ouders noemen hun dochter nu Haas? Hebben ze heel hard moeten lachen, snappen ze het echt niet, of moet het kind gehard het leven door? Mijn naam is Haas. Lachuuuh. Maar ja, als Haas kan, dan kan Beer ook, en Wolf. Zijn er ook nog ouders die hun dochter Poes noemen? Het zou me niet verbazen.

Altijd als je denkt dat je alles hebt gehad, dan waait er weer een nieuwe trend langs. Jaren terug had je overal Storm. Storm is even gaan liggen, was dan onze grap op het kinderdagverblijf. Maar je had ook Bikkel en Erts, lekker aards. En toen kreeg je alle Verenigde Staten en zat opeens Alaska de Boer naast je kind, of Texas Jansen.

Ouders kijken niet zo nauw, maar als kind moet je er wel een leven mee doen. En wie afwijkt, wordt gepest en uit de groep geknikkerd. Het is dus niet leuk om Haas of Poes te heten, of Kathmandu Koopman of Bono Blijham. Maar onze fantasie kent geen grenzen, en bij de burgerlijke stand mag bijna alles. Adolf waarschijnlijk ook. Maar dat doe je je kind toch niet aan. Toch?

Doodsangsten

A.F.Th. van der Heijden is geprezen om en bekroond voor zijn Tonio, het verhaal over zijn zoon die bij het Leidsplein in Amsterdam werd doodgereden. Ik heb het boek niet gelezen, ik durf niet, durf niet diep genoeg in het verhaal mee te gaan omdat ik daar mijn diepste angsten ontmoet. En daar moet ik al elke dag mee leven.

Vorige week kwam Mijsje niet thuis. Geschept door metrolijn 51. Dood. Ik schrok enorm toen ik het bericht langs zag komen. Lijn 51. Die komt langs de school van onze oudste dochter. Het zal toch niet. Het kan niet. Het mag niet. En het was niet. Maar het was wel Mijske. En als dan de moeder een bekende blijkt, stroomt het verdriet nog dieper naar binnen.

Ik leef met mijn angsten. Ik kan me niet voorstellen dat mijn kinderen niet thuis komen. Maar het gebeurt zo maar. Klap. Weg. Op de fiets. Of op school in Newtown, Connecticut. Het is niet te bevatten. En het verdriet moet hartverscheurend en onpeilbaar diep zijn.

We prevelen, we hopen, bidden en smeken dat de dood aan onze deur voorbij gaat. Het mag ook gewoon niet om als ouder je kind te moeten begraven, er is geen groter leed. En nu ik het opschrijf, hoop ik toch een heel klein beetje het ongeluk weer voor even te hebben afgewend. Zoals ik op zondagmiddag voordat de wedstrijd begint altijd even een paar tikjes met mijn keepershandschoen tegen de doelpaal geef. Het zou zomaar kunnen helpen.

Wat zeker ook zou helpen is als we het minder gevaarlijk voor elkaar maken. Als het ik soms even kan wachten. Hier in de buurt kookt mijn bloed onregelmatig vaak als ik zie hoe hard en onbeschoft er wordt gereden. Een 30-kilometer zone is aardig, maar het gros van de automobilisten trekt zich er niets van aan. Plankgas door de eenrichtingstraat. En wat valt nog meer op? Dat in de meeste van die Audi’s en Golfs (ja, sorry..) leuke, felgekleurde kinderzitjes zitten. Ze zouden zelfs zo hun eigen kinderen kunnen doodrijden.

Ik sta doodsangsten uit. Op mijn eigen tournees door de stad kom ik bijkans ogen tekort om alle gevaarlijke situaties het hoofd te kunnen bieden. Een paar weken geleden zag ook ik het niet aankomen. Een ouder liet zijn kind op straat uit de auto stappen, en ik kon het op het fietspad openknallende portier niet meer ontwijken. Dankzij mijn vele jaren keeperservaring kwam ik nog redelijk terecht. Ik had ook dood kunnen zijn. Het had ook één van onze dochters kunnen zijn.