The Ba’

De één zit met z’n schoonfamilie, de ander gaat op de latten, wij waren in Marrakesh, en in Kirkwall op de Orkney Islands spelen ze met Kerst en op Nieuwjaarsdag The Ba’, een eeuwenoud spel – of is het een gevecht? – dat gezien wordt als één van de vele voorlopers van ons voetbal.

The Ba’ gaat zeker terug tot de 17e eeuw, en misschien wel verder. Het is een spel zonder regels, en dus ook zonder voorgeschreven aantal deelnemers. Inmiddels zijn het er zo’n 350, en je hoort of bij de Uppies of bij de Downies, dat is historisch en tegenwoordig vooral ook familiebepaald.

The Ba’ kan in vijf minuten voorbij zijjn, maar ook een hele dag duren. Alles is geoorloofd om The Ba’ of heuvelop (Uppies) te brengen of in de lagergelegen haven (Downies) te krijgen. In al het gedrang en geplet, dat nog het meeste doet denken aan overmatig bezet rugby, vallen de nodige spaanders en botbreuken. Zeker in de smalle stegen ben je je ribben niet zeker.

Maar ls je wint ben je een jaar kampioen en held van Kirkwall, en maak je een lange neus naar de andere helft, wetende dat het volgend jaar weer anders kan zijn. Er wordt ook nog geloofd dat winst een invloed kan hebben op de oogst van of de vangst van the year to be. Misschien wel het begin van sport en bijgeloof.

The Ba’ is niet voor mietjes, je moet een flinke stoot kunnen hebben, en niet gaan janken en piepen. Dat is iets wat je in ieder geval nog steeds in rugby maar toch ook in het Schotse en Britse voetbal ziet. Alleen sissy’s janken over vliegende tackles en een elleboog links en rechts.

The Ba’ heeft iets heel tribaals, het lijkt meer een ritueel dan een sport, en dat zou het natuurlijk ook best kunnen zijn. Inmiddels zijn de wonden gelikt, hebben de Uppies de slag op Nieuwjaarsdag gewonnen, en is er gedronken tot iedereen erbij neerviel. Zoals één van de spelers in de VPRO-documentaire over The Ba’ het fraai verwoordde: “Now it’s three weeks of rehab, and than a great year.”

Die VOC-mentaliteit

Morgenavond begint De Gouden Eeuw, een prestigieuze 13-delige tv-serie van NTR en VPRO over de roemrijke, en nog altijd fascinerende Gouden Eeuw waarin ons land in wording schijnbaar in no time één van de leidende handelsnaties ter wereld werd en een aantal decennia wist te blijven.

De Gouden Eeuw geurt naar succes, naar macht, rijkdom en bezit, naar kruiden en thee, naar bloed en geteerde schepen. Voor velen is de Gouden Eeuw de mooiste periode uit onze relatief korte geschiedenis. Niet voor niets vond toenmalig premier Balkenende dat het kniezende en vastgelopen polderland wat meer van Die VOC-mentaliteit moest tonen.

Balkenende werd uitgelachen en beschimpt, want heel politiek correct werd hij om de oren geslagen met wat die VOC-mentaliteit ook betekende: moord en doodslag, plunderingen, zelfverrijking, slavenhandel. Aan die slagzijde van onze mooiste tijd wilde lang niet iedereen worden herinnerd.

Maar het kan raar lopen. De Gouden Eeuw is springlevend. En vooral zo springlevend omdat we er plots onszelf in zien, onze eigen tijd, onze eigen zorgen en uitdagingen. Globalisering, immigratie, urbanisatie, tolerantie, fundamentalisme. We hadden het toen, we hebben het nu, en dan doen we er ook nog de beurs, hypes en media bij, en dan lijkt het wel alsof De Gouden Eeuw nu is, of in ieder geval een spiegel voor het nu.

Waarin een klein land groot kan zijn. Wij waren officieel nog onderdeel van het Spaans-Habsburgse Rijk, maar gingen vrij en onverveerd voor eigen rekening en risico de zee en de oceanen op om te handelen en rijkdom te vergaren. Met lef, moed, wat weinig geweten, en een sterke maritieme vloot, lag de wereld even aan onze voeten, en dat voelde goed, en maakte ons land heel erg rijk.

Volgend jaar in Amsterdam 2013 vieren we 400 jaar grachten, de grote stadsuitbreiding die de uitdijende stad ruimte en zuurstof moest bieden. Daar kwamen de nieuwe rijken op af, de patsers van de nieuwe welvaart, en zij streken neer in bijvoorbeeld de afgebeelde Gouden Bocht, de Herengracht gezien vanaf de Vijzelstraat. Daar ging de VOC-mentaliteit wonen en de rijkdom etaleren. Dat waren nog eens tijden. Nu terug naar de onze. Ik ga morgen kijken.

De wereld als grote pinautomaat

The Rolling Stones bestaan 50 jaar. Een halve eeuw Jagger en Richards, wie had dat way back in 1962 kunnen denken.

De jonge helden van toen zijn (toch) oud geworden, voor hen – behalve voor Brian Jones – ging het klassieke ‘Hope I die before I get old’ uit ‘My Generation’ van The Who niet op.

De VPRO Gids van deze week heeft een prachtige foto van een jonge en supercoole Mick Jagger op de omslag, het lijkt wel een schilderij, of een tijdloze reclameposter voor overhemden, het is gedateerd maar kan ook gisteren zijn geschoten, en misschien is dat wel de grote kracht van Jagger, de Karma Chameleon van rock ’n roll.

En zo leven de Stones inmiddels al een halve eeuw hun eigen legende, het zo prachtig bedachte imago van de woesterikken, the bad guys, de slechte neefjes van The Beatles, de geilneven waar je dochter nooit veilig was, alles werd gezopen en gesnoven en gepakt, en rock ’n roll een levensstijl werd waar Satisfaction de upside was van het insluipende verval.

Ik vond The Rolling Stones als image interessanter dan als band. Als ik dan in het klassieke duel tussen beide Britse grootheden moest kiezen, dan waren het voor mij toch The Beatles. Meer muziek, meer inhoud, more mileage. The Beatles zijn al heel lang geschiedenis, maar The Rolling Stones eigenlijk ook. Van de halve eeuw Stones zijn de laatste 25 jaar voorbij gegaan zonder muzikale kicks.

En nu in dit magische jubileumjaar zijn er boeken, verzamel-cd’s, een enkele nieuwe song, en ongetwijfeld nog enkele concerten die de kassa enorm zullen doen rinkelen, ‘de wereld als één grote pinautomaat.’ En ach, zit de knipoog ook al niet heel vet in het prachtige zinnetje ‘I know, It’s only rock’n roll, but I like it.’