Koot d’or

Het was weer bal in de Stadsschouwburg. Schrijvend, uitgevend, wederverkopend en ander feestvolk mocht de aftrap van de vandaag uitgeborken Boekenweek vieren. Het was een voorspelbaar zien-en-gezien-worden-parade met een gouden randje. Fokke en Sukke gaven er een mooie twist aan: ‘Alleen maar oude mannen…en lekkere dingen die voorbijgaan.’ 

Hoofd van het Boekenbal was zonder twijfel Kees van Kooten, de schrijver van het boekenweekgeschenk De verrekijker waarin Koot zich na vele jaren afzijdigheid alsnog een keer autobio graaft naar zijn vader. Ben benieuwd.

Hoogtepunt van mijn Boekenbal was dat ik de gouden schrijver – Koot ‘d’or – on the way out tegenkwam op de trap. Mijn avond kon niet meer stuk. En ja, hij is echt van bescheiden lengte, dat kwam niet alleen omdat Wim de Bie zo lang was.

Ik heb Joe Jackson gemist, en Heleen van Royen, maar ik begrijp dat zij in de Wallenbuurt een tijdelijke winkelkraam gaat runnen om haar pennenvruchten direct aan man en vrouw te brengen. Zou dat die zwarte rand uit het Boekenweekthema zijn? Je zou het bijna denken.

Job Cohen had veel geschreven recent, en was er dus ook. Net als Jan Mulder, die op de bank zat, Arthur Japin die frekwent kwiek voorbij hupte, Hanna Bervoets, Remco Campert die al snel rechtsomkeert maakte, en Robert Vuijse en nog heel veel nette mensen, hoewel wij niet hebben meegemaakt hoe het slagveld er rond sluitingstijd heeft uitgezien.

Opwaaiende herfstreuzen

Het is herfst, de wind trekt aan, de Gouden Griffel gaat naar Winterdieren, en de Volkskrant Boeken pakt groot uit met bijna twee pagina’s met als kop De twee reuzen van het najaar, recensies van de nieuwe romans Dit zijn de namen van Tommy Wieringa en Pier en oceaan van Oek de Jong.

Ik ben geboren zo tussen Oek de Jong en Tommy Wieringa in. Maar waar Wieringa voor mij een schrijver van vandaag en waarschijnlijk ook morgen is, is De Jong dat eerder van eergisteren, en dat komt doordat hij ruim dertig jaar geleden opwaaide en piekte met wat velen zagen en zien als zijn belangrijkste en in ieder geval verreweg populairste werk, Opwaaiende zomerjurken.

Ik neem aan dat de Volkskrant bij de kop De twee reuzen dan ook doelt op statuur van beide schrijvers, en bij De Jong niet hint op de maar liefst 832 pagina’s die Pier en oceaan telt. Maar toch, de kwalificatie ‘magnum opus’ die Uitgeverij Atlas/Contact aan Pier en oceaan geeft, wordt afgedaan als ‘..holle uitgeverstaal..’ , terwijl de Volkskrant de nieuwe roman van Wieringa direct bovenaan de pagina al duidt als ‘..een monumentale roman.’

Je vraagt je toch af wat de idee is om twee zo verschillende boeken bijeen te brengen, ze te vangen onder een intrigerende kop, en vervolgens jubel aan de een te bieden en aangelengde azijn aan de ander, zonder een vergelijking tussen beide boeken te maken. Nu lijkt de koppeling vooral voor effect te zijn gemaakt, kraker en afkraker, top en bodem, nieuw vs oud.

‘Nederland is te klein voor Wieringa,’zo stelt Daniëlle Serdijn. Dat is een grootse claim. Het maakt nieuwsgierig naar Dit zijn de namen. Het slotsalvo richting Pier en oceaan lijkt eerder een afscheid, een punt, uit en over: ‘In Pier en oceaan gaat het achthonderdtweeëndertig (lekker, voluit, nog langer..) pagina’s van kabbel, zaag, gaap en oeketsjoek.’ Dan is de reus wel neer. Of vond Arjan Peters Oek de Jong helemaal geen reus, en ging het toch om die reusachtige omvang van Pier en oceaan?

Zo gaat recenseren onder valse dubbeltitel een beetje van BOEM Paukeslag daar ligt alles PLAT. Op de volgende BOEKEN-pagina treffen we ook nog een recensie met drie sterren voor Maar buiten is het feest van Arthur Japin, een boek dat elders al met hakbijlen ontrugd en losbladig was gemaakt. De recensie van Simone van Saarloos is in ieder geval geen feest, ondanks de drie sterren krijg ik geen enkele aandrang om het boek van Japin ter hand te nemen. Misschien moeten we voor recensenten ook maar eens sterren gaan geven. Kijken welke reuzen dan overeind blijven.