Una giornata particolare

Als een Alpencol van de buitencategorie lag de CITO-toets al deze schooljaren al te wachten op onze schatten van dochters en zonen. Gisteren was de ontknoping van de thriller die door iedereen zo heftig werd gedownplayed, dat je als kind wel moest gaan twijfelen aan de verstandelijke vermogens van jouw ouders en alle anderen.

Want het was zo onbelangrijk dat alle wapens – behalve zware shit uit Noord-Korea – werden ingezet om onze volgende generatie af te leiden, te trainen, op te peppen, te verdoven, of nog heiliger te verklaren. Knuffelsessies, yoga, handoplegging, gebedsgenezing, piskijken, trainingskampen, ziekelijke verwennerij en nog zowat trucs werden uit kasten en laden getrokken, met daarbij telkens de boodschap: doe je best, meer kun je niet doen. Zo werkt dat.

Gisteren braken hemel en hel open. Onze Benjamin (v) had het behoorlijk boven verwachting gemaakt, en dat stemde vreugdevol, en haar ouders slikten hoorbaar van ingehouden spanning die nu een vrolijk ventiel vond. Want wel de jongste van de klas, dyslectisch (lastig woord voor dyslectici, by the way), maar met stelten boven zichzelf uitgestegen. Una giornata particolare. En wat heb ik goed geslapen.

En vandaag was ook alweer een mooie dag. Niet die dreigtweets over sneeuw, maar gewoon heerlijk gewerkt, vanochtend en nu net nog, en ik was vanmiddag voor het eerst in het tijdelijke Baut (naar Wibaut), een wat gedesigned rommelig etablissement aan de voet van wat ooit het kantoor en de burelen van Trouw vormde, en wat door Johannes van Dam met een 10- de tijdelijke roem en drukte in was geparachuteerd. Helaas waren de sinaasappelen op, dus geen jus d’orange, maar het water was beslist een 10 waard. Zo wordt ook elke dag bijzonder.

Zeker als je dan ook nog even naar het Concertgebouw mag, toch één van de beroemdste toonzalen ter wereld. In de Kleine Zaal was een bescheiden hoofdrol voor de fagot als solo-instrument, niet helemaal my cup, maar wel een aangenaam werk van – even adem in – Jean Baptiste Edouard Louis Camille Du Puy, een Franse Bask en een dwarsligger die als één van zijn hoogtepunten de betrapte vrijpartij in 1809 met een Deense kroonprinses kon opvoeren. Dat was voor hem waarschijnlijk ook een heel bijzondere dag.

Bel ff anders

Ik kom zelden meer op het schoonplein. Binnenkort zwaait ook onze jongste dochter af van de basisschool, en paps of mams hoeven niet meer te halen en te brengen. Ik ken inmiddels ook steeds minder mensen daar, maar knik en zwaai en groet nog menigeen van de oude hap.

Sylvia Witteman heeft ook kinderen op ‘onze’ school. Ik zie haar wel eens. Soms denk ik dat ik haar dan moet vertellen – de zoveelste – hoe we schaterlachend haar column hadden gelezen, en dat ze van die heerlijke treffende analyses componeert over het huidige tijdsgewricht en al dan niet vrolijke mensen-in-de-war.

Maar dat aanspreken komt er niet van. Ze heeft een blik die niet direct uitnodigt, maar die je op gepaste en gewenste afstand houdt. Ook prima. Want wat moet je met dat gezever en die complimenten van een andere schoolpleinouder terwijl je je net suf hebt getrapt op de fiets om je bloedjes op tijd op te kunnen halen en zo weer langs alle clubjes moet crossen? Begrip. Respect.

Dan maar langs deze onpersoonlijke weg de mededeling dat ik gesmuld heb van haar Big mama is watching you, de coverstory van Volkskrant magazine afgelopen zatedag. Witteman leidt ons langs één van de meest kangende vragen van nu: hoe oud moet een (je) kind zijn voor een mobieltje, en voor wie is dat mobieltje dan eigenlijk?

Fraai en fijntjes neemt Witteman je mee door je eigen leven, je eigen afwegingen, gedram, nepargumenten en menige ruzie over wat voor velen – en zeker voor kinderen – het belangrijkste ter wereld is: de mobiel. Nu scheelt dat wel per kind, in ons geval per dochter. De oudste is het verlengstuk van haar mobiel, de jongste taalt er niet naar, belt af en toe of ze ergens mag spelen en is vervolgens volledig onbereikbaar.

En ja, die afspraken, en wat wanneer wel, en waarom toch niet, of zoals Witteman zo mooi schreef: “niet aan opa’s sterfbed.” Maar aan alles komt een eind. Ook de massale verslaving aan een apparaatje. Zo geeft Sylvia Witteman op het eind ook nog hoop en uitzicht, zij ziet een toekomstige generatie die weer helemaal los is, disconnected, en onbereikbaar, dat is toch eigenlijk veel cooler. De mobiel is dan – niet zo smart meer – voor losers en bejaarden.