Onderweg naar de vrede toe

Het nummer verscheen een jaar voordat ik werd geboren, dus ik zal Ik zou wel eens willen weten van Jules de Corte bewust pas hebben beluisterd in het midden van de jaren ’60, en had ook al altijd gedacht dat De Corte het toen schreef, maar dat was dus al in 1957, toen Nederland nog zo onschuldig zwart-wit was, in de eindfase van de wederopbouw.

Ik weet niet meer precies wat mij raakte, in ieder geval de blindheid van Jules de Corte. Als kind leek me dat het ergste dat je kon overkomen. De Corte was op 1-jarige leeftijd door een medische fout blind geworden. Ik vond zo’n blinde man zielig, maar ook fascinerend en beangstigend, die grote zwarte bril, en dat grote kale hoofd, en van die tekstregels die ik niet helemaal snapte, misschien wel zonder het te beseffen mijn eerste filosofische lesje in mijn toen nog jonge leven.

Ik weet nog dat de naam Jules de Corte een tijdje een scheldnaam was voor iemand die niet goed uitkeek. Maar voor een blinde zag De Corte best veel. Het door velen als geneuzel weggezette Ik zou wel eens willen weten is zijn roep om vrede en gerechtigheid in een wereld van kapitaal en kerk waar hij vanuit zijn jeugd en door zijn grote handicap pijnlijk mee in aanraking kwam. De Corte zag respect voor de aarde en de menselijke maat het onderspit gaan delven. In die zin was hij een beetje een ziener.

Hoe ouder hoe pessimistischer over de mensheid. Het overkomt velen, het overkwam zeker Jules de Corte. De massa liet zich anonimiseren. De wansmaak die de commercie opdrong, werd gretig aanvaard. En de media droegen bij aan de vervlakking. Het klinkt ons allemaal bekend in de oren. Maar een halve eeuw geleden was het een niet-alledaags geluid. En ondanks de waarschuwende woorden zou ik wel eens willen weten waarom we er dan toch ingetuind zijn.

Het nummer duurt amper twee minuten. Een man en een vleugel. Het bestaat uit vijf identiek gebouwde coupletten, zonder refrein, of uit vijf identiek gebouwde refreinen zonder couplet. Het is of een bijna gedragen monotoon zeurliedje, of je herkent iets van een knap geconstrueerde, repeterende boodschap zonder opsmuk, maar met de tintelende toetsen van een klassiek geschoold pianist en een tekst die je belachelijk kunt maken of graag nog eens wat langer over nadenkt, zo na een jaar of 50 nog eens.

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de mensen zo moe – Misschien door hun jachten en jagen – Of misschien door hun tienduizend vragen – En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe – Daarom zijn de mensen zo moe…

http://www.youtube.com/watch?v=cFlJ6EvicF0

 

Poppenspel

Hij kreeg het idee voor de serie toen hij las over ingesloten Duitse mijnwerkers die moesten wachten tot de reddingsapparatuur per trein was gearriveerd. Dat moest sneller kunnen, meende Gerry Anderson. En hij bedacht in 1963 de Tv-serie The Thunderbirds en hun International Rescue, de redders van beklemden, en de bestrijders van het grote kwaad. Ik vond het prachtig.

Al weer vele jaren terug zagen mijn kinderen The Thunderbirds, maar na enkele minuten hielden ze het voor gezien. “Papa, wat is hier nu aan?” Ze vonden het maar slome poppen en slechte trucs, zij waren in deze 21e eeuw wel iets geavanceerders en spannenders gewend, en gelijk hadden ze. In de re-run ziet The Thunderbirds er inderdaad uit als een zoldercreatie met wat special effects.

Maar in 1965, toen de serie begon op Tv, zal ik ademloos gekeken hebben naar de lotgevallen van de familie Tracy die met hun geavanceerde techniek, vliegtuigen en raketten een soort klein reddingsleger speelden, echt iets voor kleine jongetjes, en ik zweer dat mij toen nooit opviel hoe harkerig en houterig het toonde. Alles was toen harkerig en met de ogen van nu saai prutswerk, en op z’n best goed bedoeld, maar spannend was het.

Ik moet de serie ooit in zwart-wit hebben gezien, ofschoon de merchandise van Matchbox die het zo goed deed met verjaardagen en Sint natuurlijk in de echte kleuren was. Ik was een tikje jaloers op de jongens die de groene Thunderbirds 2 hadden, een wide-body vliegende raket met een uitschuifbaar laadruim met alles wat die arme Duitse mijnwerkers maar nodig gehad konden hebben.

De serie liep 32 afleveringen in drie jaar, en bereikte lang daarna een soort camp-cult-status, met re-runs op allerlei kabelnetten, en ik zag dat er zelfs Britse postzegels met de Thunderbirds zijn. Van houterig poppenspel tot erfgoed en serieuze status, het kan soms heel raar lopen.

Misschien had hij te lang te dicht op zijn poppen gezeten, of misschien was Gerry Anderson het anderszins ‘een beetje kwijt geraakt.’ Het Parool citeerde hem vandaag over zijn ambivalentie tegenover zijn eigen schepseltjes: “Ik kon alleen maar naar de fouten van de poppen kijken. Ze konden niet eens iets oppakken. Maar wie ben ik dat ik die poppen ga zitten bekritiseren? De hele wereld hield van ze.” Hield? Houdt! Thunderbirds Are Go!