Oorlog en vrede

passchendaele2De zon straalt op de dappere driekleur. Nederland is vrij. De doden zijn herdacht, de levenden leven verder. Geen Damschreeuwer, geen valse trompetnoot in The Last Post, Nederland stond twee minuten stil bij hun geliefden en naasten en de verschrikkingen van oorlog.

Voor ons is de Tweede Wereldoorlog dé oorlog, ook omdat die Groote Oorlog aan ons voorbij trok. Een eeuw geleden inmiddels bulderden de kanonnen aan onze grenzen en begon wat een vreselijke loopgravenoorlog werd met saaie stroompjes als de IJzer en de Somme die nu in ieders geheugen staan gegrift.

Voor ons is die Groote Oorlog bijna een voetnoot, het verhaal van Sarajevo en die Duitse keizer die in Doorn onderdak vond. Voor de Belgen is de Groote Oorlog echt groot en het brengt ook grote literatuur. Leest bijvoorbeeld Oorlog en terpentijn van Stefan Hartmans over zijn grootvader, zijn arme jeugd in het Gent van rond 1900, zijn gruwelijke oorlogservaringen en zijn grote liefde die veel te vroeg stierf.

Oorlog en terpentijn is echt zo’n boek dat niet moet ophouden, maar het sleurt je mee naar de laatste pagina, wat een chroniqueur is Hartmans, met dank aan zijn opa die hem enkele volgeschreven cahiers naliet met de notities van zijn leven. Stefan Hartmans vult de lacunes is, speurt en spoort, en schrijft een ontroerend maar nooit vals sentimenteel portret van zijn opa de soldaat en de schilder, een pracht boek van oorlog en vrede.

Daar komen de buren

duitse inval

Het recent opnieuw uitgezonden Wo ist der Bahnhof? uit 1985 van Koot en Bie, geldt inmiddels als een nieuwe maatstaf van denken over het verzet in Nederland in 1940-1945. De gisteren gestarte vijfdelige Tv-serie Die 5 dagen in mei laat zien hoe de Tweede Wereldoorlog in Nederland begon.

Niet iedereen zat in het verzet, zoveel is wel helder. En ook niet alle politie was fout in de oorlog en op jacht naar verzetstrijders en Joden. ‘Politie verleende ook steun aan verzet’ aldus Ad van Liempt van wie dezer dagen zijn nieuwe boek De jacht op het verzet verschijnt.

Heldendom, lafheid, geschiedvervalsing, en de winnaar die altijd het verhaal mag schrijven. Ons leger zou heldhaftig hebben gestreden in de meidagen, maar was geen partij voor de superieure Duitsers. Fietsen tegen tanks, zoiets. In het eerste deel van Die 5 dagen in mei wordt dat beeld een stuk genuanceerder en menselijker.

De Duitse inval in Limburg was ook Daar komen de buren, en plots moest je schieten op jongens waar je vorige week nog mee voetbalde en in de kroeg hing. Het was hij of ik. Dat was het kleine verhaal, mooi en met nog veel natte ogen verteld door de nu stokoude grote jongens van toen aan beide kanten van de grens.

En net zoals Gé Temmes zijn ‘Do ist der Bahnhof’ de Duitse nederlaag niet versnelde, zo kon een slecht uitgerust en ouderwets leger en het opblazen van enkele bruggen de opmars van het Duiste leger in die eerste oorlogsdagen niet vertragen.

Nederland hield het vijf meidagen vol, met het bombardement op Rotterdam als tragische finale. Mijn moeder zag haar stad branden. Het maakte levenslang indruk op de bijna middelbare scholiere.

In blessuretijd

Ik was hem eigenlijk uit het oog, zag hem ook niet meer op zijn donkerblauwe rijwiel hier door de straten en de buurt snellen, maar dacht er niets bij, totdat ik in Het Parool las dat Ed van Thijn begin mei was getroffen door een hartinfarct. Hij heeft het overleefd. Net als de oorlog. Maar Ed van Thijn leeft, zoals hij het zelf omschrijft, “in blessuretijd. Maar ik ben er nog.”

Eigenlijk mocht Ed van Thijn er niet meer zijn. Net als de andere Joodse kinderen die de Tweede Wereldoorlog hadden overleefd terwijl zovelen werden vermoord. Het schuldgevoel dat nooit verdwijnt, de oorlog die blijft. Maar schrijven hielp en helpt. Ik las ooit het mooie Het verhaal, en nu is er Blessuretijd, dilemma’s van een Joods politicus.

Van Thijn kan mooi schrijven, met een enorme indringendheid, maar ook met een soberte en zuinigheid die het vaak onvertelbare zo leesbaar en invoelbaar maken. Hij is onze schuin-achter-buurman, en zijn boeken liggen altijd gesigneerd bij de boekhandel vlakbij zijn huis, ik zal er met graagte een exemplaar kopen.

In Het Parool gaat het ook over het Jodendom en over geloof. Van Thijn is allerminst religieus. “En dat zal ik ook nooit worden. Een almachtige God die Auschwitz heeft toegestaan, is of niet almachtig, of deugt niet.”

Mooi is zijn anekdote over een bezoek aan een synagoge op Long Island, bij New York, waar de rabbijn zei dat er gelegenheid was voor het stille gebed, waarbij “..ieder van u uw eigen godsbeeld mag oproepen. If any.” Dat vindt Van Thijn nog eens tolerantie.

Voor iemand die er niet meer mocht zijn, heeft Ed van Thijn het ver gebracht en lang volgehouden. Na zijn hartinfarct is er de blessuretijd, hij weet het, het oog van de naald enzo, maar hij is er nog, en zal de kortheid van het geheugen blijven laken en ten strijde blijven trekken tegen “..de weerzin tegen het oprakelen van de geschiedenis.” De geschiedenis moet worden verteld, altijd, het verleden draagt immers de toekomst in zich.