Een inktzwarte zonnige dag in 1943

Mijn goede vriend Job nodigde mij uit voor de officiële onthulling afgelopen maandag van het herdenkingsmonument voor de grote razzia op Joden in Amsterdam op 20 juni 1943.

Die dag, nu 79 jaar geleden, werden ruim 5.500 van onze stad- en landgenoten bijeengedreven op het Olympiaplein in Zuid, vandaar in overvolle trams naar het Muiderpoortstation, met de trein naar Westerbork en maanden later naar eindstation Bergen-Belsen.

Ontmenselijkt, uit het openbare leven verbannen, geïsoleerd, getreiterd, geslagen, opgepakt, afgevoerd, vernietigd. De foto is zo krachtig omdat wij weten welk lot de mensen op de foto staat te wachten. Over acht maanden is iedereen dood.

De foto is gemaakt op 20 juni 1943, om 09.09 uur. Het ochtendlicht geeft een bepaalde schaduw die door kunstenaar Ram Katzir gevangen is in zijn kunstwerk Schaduwen dat – als je er overheen loopt – met je mee lijkt te gaan, zo kun je een begin van een gevoel krijgen over hoe het geweest moet zijn, op transport op die inktzwarte zonnige dag in 1943.

De dag van mijn vader

Vandaag is het vaderdag. Of beter: de dag van mijn vader. Zijn geboortedag. Hij was van 7 april 1926. Kind van het interbellum. Geklemd als het ware tussen een net uitgedoofde Spaanse griep en de slagschaduwen van een volgende Wereldoorlog. Wat lijkt 1926 dan vervelend veel op 2022. We herhalen de geschiedenis.

Mijn vader had een grote liefde voor het boek, het geschreven woord. In de Tweede Wereldoorlog was hij secretaris van het ondergrondse – want verboden – literaire tijdschrift Parade der Profeten. Hij had contact met ontluikende schrijvers als W.F. Hermans. Het woord zou zijn toekomst zijn. Maar zo liep het niet.

Pas na zijn pensionering en een arbeidzaam leven van tegenvallend werk, pakte hij het woord weer op. Hij begon Boekstaf, een klein handeltje in boeken, “lekker een beetje rommelen en klooien met boekies”, noemde hij dat. Eerste drukken. Bijzondere uitgaven. Hij vond het boeiend om bij Gerard Reve en Joop Schafthuizen in Schiedam thuis te komen. Reve was klant. Vond hij mooi.

Met al die liefde voor het boek en het woord bleef er niet zoveel liefde meer over voor zijn directe omgeving. Ik miste hem tijdens zijn leven meer dan na zijn dood. Maar hij bracht me in ieder geval wel op het pad van het woord. De vele boeken thuis waren een bron van kennis en ontwikkeling waar ik me zonder voorbehoud aan mocht laven.

Na vele vruchteloze pogingen ben ik nu een heel eind op weg met mijn eerste boek: Soundtrack van mijn jeugd. Het gaat over muziek, over geschiedenis, over de geschiedenis van muziek en over mezelf in die geschiedenis.

Ware hij nog in leven dan zou mijn vader best een beetje trots zijn geweest op mijn schrijven en mijn boek. Maar trots is wat anders dan liefde. Ooit voegde hij mij toe dat ik mijn talent wel van hem moest hebben. Hij erkende het talent, maar het klonk niet als een lieve vader, maar eerder als revanche op een leven dat hem te weinig bracht en zijn talenten maar matig benutte.

Hopelijk staat er ergens op de eeuwige lettervelden een comfortabele fauteuil met voetenbankje waar hij na de ontdekking van die hemel prachtige eerste drukken door zijn handen kan laten gaan en zijn liefde exclusief kan focussen op die ‘boekies.’

Verloren in geweld

Het kan geen toeval zijn dat de publicatie van het historisch onderzoek naar systematisch geweld van onze jongens in Indië op dezelfde datum is als de verjaardag van mijn vader.

Mijn vader was in Indië. Hij was er krap een jaar, in 1948, denk ik. Hij mocht eerder naar huis omdat zijn vader ernstig ziek was. Gek om te bedenken dat hij met het troepenschip door het Suezkanaal ging, dat hij de piramiden zag en op de heenweg het Neptunusritueel mocht ondergaan.

We hadden het er niet over. Mijn vader vertelde niks, en wij vroegen nergens naar. Dat hield het huis rustig. Dat hij elke reünie afliep en met zijn maten aan de saté ging, gaf wel aan dat hij vrienden had gemaakt en het vechten daar bond. Voor het leven.

Hij vertelde niks en wij namen hem niet serieus. Hij zat bij de para’s, maar vanwege zijn – latere – zwaarlijvigheid hadden wij alleen maar te doen met de parachutes waar hij aan moest hangen. Dat hielp niet.

Ik heb nog veel foto’s. Hele kleine kiekjes. Zwart wit. Geen datum, geen plaats. Mijn vader op een jeep. Mijn vader met een aapje. Een groepsfoto met de maten. Een stoere kiek van vader met pistool.

De naam Westerling viel wel eens. Dat was me er een, volgens mijn vader. Eén schurk op zo’n groot eilandenrijk. Zo makkelijk kon het niet zijn. Zo makkelijk was het niet. Er waren heel veel schurken.

Ik weet niet wat mijn vader deed dat niet mocht en juist moest. Ik kan het hem niet meer vragen. Hij ligt al lang op de eeuwige rijstvelden. Maar iets deugde er niet, Dat heb ik altijd geweten En nu na driekwart eeuw (!) ligt er een rapport dat ons voor altijd berooft van de zelfopgelegde status dat we beter zijn dan anderen.

Ik denk niet dat mijn vader en ik het daar over eens zouden geweest als we het er een keer over gehad zouden hebben, maar die kans hebben we laten lopen. Zo gaat dat. We noemen het geschiedenis.

17,44 miljoen bondscoaches en virologen

Nederland telt 17,44 miljoen bondscoaches. Iedereen weet het zelfs nog beter dan Louis van Gaal, en dat is knap. Natuurlijk hadden de bondscoaches zaterdag in Podgorica (voorheen Titograd) Blind gewisseld, Koopmeiners nooit laten invallen en De Roon nooit op de tribune gezet. Achteraf wist iedereen hoe we moesten winnen. De echte bondscoach is zo goed als zijn laatste zege. Anders wacht de hoon, de volkswoede, trollenlegers twitteraars en de schaduw van de galg. Maar verder zijn we best een nuchter volkje.

Nederland telt ook 17,44 miljoen virologen. Iedereen weet het net zo goed als deze medisch specialisten. Hoe moeilijk kan het zijn om een virus te bestrijden, als het al bestaat. Wetenschap is ook maar een mening. En zoals Johan Fretz zo mooi vilein verwoordde in Het Parool: ‘Niemand mag de Nederlander vertellen wat goed voor hem of haar is.’

Intussen moeten we ons morgen nog maar zien te plaatsen in een lege Kuip. Bondscoach en viroloog komen elkaar daar tegen. Als het mis gaat, dan weten 17,44 miljoen bondscoaches hoe het wel had gemoeten. Dan krijgen ook de overheid en de virologen de schuld omdat het stadion leeg bleef en Oranje de ‘twaalfde man’ zo miste.

Het is altijd de schuld van een ander. Zoals Fretz schreef: ‘iets minder slachtofferschap, en iets meer verantwoordelijkheidsgevoel en besef van perspectief.’ Het zou zomaar kunnen helpen, ook morgenavond, en in de periode daarna waarin we toch met het virus en met elkaar moeten leven, hoe vervelend dat ook moge zijn. Het woord samenleving is er niet voor niets.

Een gaaf land

Op het Binnenhof loopt een verwarde man die maar blijft verkondigen dat Nederland ‘een waanzinnig gaaf land’ is. Hij rept over een nieuwe bestuurscultuur – hij heeft daar ideeën voor -,  over transparantie, macht en tegenmacht en meer van wat je zou willen dat een premier zou prioriteren.

Helaas is ons land niet zo gaaf. En is die verwarde man premier, demissionair, in afwachting tot hij geroepen wordt voor zijn vierde visieloze missie waar hij – hem kennende – ook weer kneiterveel zin in heeft.

Helaas schiet het proces van coalitievorming niet op. We wachten in dit gave land al zes maanden tot een stel kleuters in de zandbak een beetje met elkaar overweg en spelen kan. Het zestal heeft geen begin van besef hoe schadelijk hun kluitjesvoetbal, gespeelde constructiviteit en permanente afkeer de democratie grote schade toebrengt. Als het hen al niet interesseert, wat moeten wij dan?

Dit is geen gaaf land, en het wordt er niet beter op. Het is een supermarkt met heel veel over datum. De toeslagenaffaire, de Groninger verzakking, de uitholling van justitie, de groeiende tweedeling, een astronomisch tekort aan daken boven hoofden, zorgen over de zorg, ons onderwijs en een in dubbel opzicht verpest klimaat. Het is een treurig laagland.

In een gaaf land worden geen journalisten in elkaar geslagen of met de dood bedreigd. In een gaaf land worden mensen met een spandoek Auschwitz open for blacks opgepakt en vervolgd in plaats van doorverwezen naar het Malieveld. In een gaaf land mag je in je studentenflat een regenboogvlag ophangen, in een gaaf land heb je een kamer in zo’n studentenflat of zicht op een huis dat je kunt betalen.

Dat ligt er allemaal te doen en te bevechten. Ik zou zeggen: ga eens wat doen, missionair, minderheid, een partij of 8, zoek het uit, en als het niet lukt dan citeer ik graag de premier over wat hij zou moeten doen: ‘pleur op.’

En dat vergeten

Anthony was ingenieur of misschien toch tapdanser, hij doet in ieder geval enorm zijn best om de nieuwe thuishulp van het laatste te overtuigen. Het lijkt wel een verleidingsritueel.

Anthony komt nauwelijks meer buiten. Zijn flat is zijn vesting. Maar is het wel zijn flat? En waarom verandert er steeds van alles?

Anthony kan niet zonder zijn horloge, het is zijn houvast in zijn wereld waar hij steeds minder grip op krijgt. Hij is zijn horloge steeds kwijt. Hij verdenkt de ene huishulp na de andere (“my father has his ways”) en vergeet steeds waar hij het zelf heeft neergelegd.

Anthony is dement. Hij zit opgesloten in zijn eigen wereld, hij kan niemand meer vertrouwen want niemand lijkt hem te begrijpen. Hij haalt mensen en gebeurtenissen door elkaar, en wacht maar en wacht maar tot zijn liefste dochter belt, maar die is helaas overleden. Hij moet het doen met zijn andere dochter waar hij veel minder liefde voor (b)lijkt te hebben.

Anthony is Anthony Hopkins en omgekeerd in de bijzonder aangrijpende film The Father, ook dringend aanbevolen, net als Supernova. Het mooie van de door Florian Zeller van zijn toneelstuk gemaakte film is dat we niet hoeven te bedenken als kijker wat Anthony denkt en waarneemt, maar hij laat het gewoon zien door zijn gedrag en verwondering, woede en verdriet.

Zo kan het gaan. Zo gaat het velen. De film en het acteren van Hopkins en Olivia Colman zijn zo sterk dat je soms vergeet dat het een film is. En dat vergeten. Dat is nu juist waar het over gaat. Hoe knap gemaakt en gespeeld, maar helaas elke dag de realiteit voor zovelen.

Ruggengraat en machinekamer

Als zwierende jongeling wilde ik keeper worden, journalist of drummer. Ik speelde veel luchtdrums en nog altijd als Smells Like Teen Spirit weer eens voorbij knalt, dan hou ik de armen niet stil.

The Rolling Stones horen bij mijn jeugd, ofschoon ik weer van The Beatles was. Charlie Watts maakte – het was 1965, meen ik – als drummer één van de vetste intro’s tot op heden, het amechtige gehengst als start van de grote hit Paint it Black.

Verder was Watts een stille kracht, een jazzheer onder de ruigen en veelgebruikers. Watts was de ruggengraat en machinekamer van The Rolling Stones. Geen tik teveel, geen franje, geen immense drumstellen waar je de drummer nog slechts kon vermoeden.

Watts is dood. 80 geworden. Respectabel, maar toch vreemd dat ook die sterren van toen maar ouder werden en worden en niet geruisloos verdwenen toen ze nog jong waren, want jong hoorde zo bij de rockmuziek. Hope I die before I get old, schreef Pete Townshend van The Who. Maar hem lukte het ook niet. Zelfs Keith Richards leeft nog.

Zo luisteren we naar heerlijke muziek van decennia terug en zie ik nog die toen nog zo jonge mannen met hun muffe jassen, rare brilletjes en gekke hoeden. Rebels with a cause. Dat waren nog eens tijden. En zo zal ik de meeste ook herinneren, hoe lang ze -net als Charlie Watts – tot op hoge leeftijd hebben volgehouden.

De machinekamer is stil. Respect voor de dode drummer. Miss You.

Het ei van Eerdmans

De instorting van Afghanistan en de overname door de Taliban is een ramp voor een geplaagd en geteisterd land en een humanitaire ramp van enorme omvang. Op veilige afstand van Kabul voel je de angst door je scherm heen.

Inmiddels is Nederland aan het doen wat het zo goed kan: bagatelliseren, klein maken, vertragen, jij-bakken, de uitzondering tot regel bombarderen, te laat optreden en de facto geen moer geven om wat er gebeurt.

In de rij nare paljassen won Joost Eerdmans op punten van andere minachters van leed zoals mevrouw Broekers-Knol, imposant in leegheid. Eerdmans vertelt het allemaal wat netter dan Wilders en is minder in de war dan Thierry. Maar vergis u niet. Eerdmans is ook van ‘hier trekken we de streep’ en ‘het zal toch niet gebeuren dat.’

Eerdmans gaf plat aan hoe hij ‘in de wedstrijd zit.’ “Het kan natuurlijk niet zo zijn dat iedereen die wel eens een ei heeft gebakken voor de Nederlanders hier nu opeens welkom is.” Wat is dat laag, lelijk en minnetjes. Zo gaat Nederland dus om met bondgenoten, vrienden en werknemers. Zeker als ze als uit landen komen waar wij het niet zo op hebben.

Eerdmans is de go-getter, de recht-door-zeeër, niet lullen maar poetsen. Beschaafd onbeschoft en inmiddels toe aan zijn zoveelste partij. Loyaliteit kun je hem niet verwijten.

Ga je schamen, Joost, als je weet hoe dat moet.

Blijven barbecueën

Vijf maanden geleden waren er verkiezingen. Een kabinet is nog niet in zicht. Lang ging het over het liegen van Rutte, de heersende bestuurscultuur en over macht en tegenmacht, een soort groepstherapie zonder helder doel en inmiddels vervaagd in een lang reces.

Maandag komen Rutte en Kaag met een paar A4-tjes bij  Mariëtte Hamer op de koffie. Deze houtkoolschetsen van een nieuw kabinet zullen opnieuw helder maken dat er weinig gemeenschappelijks te bedenken is, en dat in een tijd waarin geschreeuwd wordt om optreden in plaats van aftreden.

De wereld staat in brand, maar de vierkante kilometer Binnenhof is in verbouwing en diepe rust met zichzelf bezig, loerend, wie-met-wie, en wachtend op een kans om mee te regeren, want dat lijkt het grootste doel. Sommigen mogen het geruststellend vinden dat er blijkbaar niet acuut een missionair kabinet nodig is, anderen vinden het verontrustend dat het niemand deert dat er geen kabinet is met drive en ambitie om de grote problemen die iedereen raken het hoofd te bieden.

Maar ja, wat wil je met een premier die vindt dat we niet moeten doorslaan met het klimaat, want ‘we moeten lekker kunnen blijven barbecueën.’ Hoe durf je. Zoveel leeghoofdig onbenul, doortrapte slechtheid, zoveel achterbannetje bedienen, wat een kleingeestigheid en wat een vreselijke gedachte dat dit denken opnieuw leidend wordt in een nieuw kabinet, zo dat er de komende maanden toch nog een keertje komt.

A greater good

In een land hier niet zo ver vandaan, sprekend Nederland, was er een grote gezondheidscrisis en dreigde er een economische ramp. Er moest een nationaal noodplan komen, dondert niet met wie en wat het moet kosten.

Die drang en ambitie zijn verdwenen. De economie herstelt zich al, corona is op de vlucht voor Hugo de Jonge, en het Binnenhof kan weer gaan doen wat het Binnenhof doet: staren in de eigen navel en het eigen belang voorrang geven op ‘a greater good.’

Zo was er een premier die een leugenaar bleek, melaats verklaard door iedereen, maar inmiddels weer helemaal opgepoetst om verder te regeren. Met wie, is nog even de vraag.

Die premier en Sigrid Kaag, high ridin’ hoofdrolspeelster in een gordeldrama over een documentaire, gaan nu in alle rust wat houtkoolschetsen zetten voor iets wat misschien zou kunnen lijken op een praatstuk voor een coalitie. Misschien ligt er ergens in augustus iets. U ziet, de ambitie is wat neerwaarts bijgesteld.

Wat een gotspe. De kiezer krijgt de schuld van een gespleten kamer en de politieke partijen zitten als kleuters bij de zandbak bijeen anderen de schuld te geven of toxic te verklaren. Ik wil wel, maar niet met jou. Intussen is het CDA geraakt door een bermbom en zijn de stemverhoudingen van maart op drift.

Maar niks ‘greater good’, niks nieuwe bestuurscultuur, niks macht en tegenmacht, niks nieuwe wind. Het is weer klein, minnetjes, eigenbelang, zoiets als Sywert, maar dan op een nog veel grotere schaal. Fijne vakantie!

 

foto: de Volkskrant