De kunst van puree en tomatensoep

Alles van waarde is weerloos. Onvervangbare schilderijen van onschatbare waarde van Van Gogh, Monet en Vermeer worden aangevallen met puree en tomatensoep. Ook de aarde is onvervangbaar en voor mens, plant en dier van onschatbare waarde, maar wij denderen er elke dag onvoorstelbaar veel troep overheen.

Actievoerders zien de makkelijke metafoor. Zij willen meer aandacht voor het mondiale klimaatprobleem. Maar zoals Bert Wagendorp in de Volkskrant schreef: ‘er is geen gebrek aan aandacht. We worden ermee doodgegooid. We verbinden er alleen geen conclusies aan.’ In zo’n klimaat hoeven de pureespuiters niet te rekenen op veel sympathie. Wat ze doen helpt hun eigen zaak dus niet. En dat zou toch wel hun doel moeten zijn.

Na de schilderkunst is nu ook de muziek aan de beurt. Gisteravond werd in het Amsterdamse Concertgebouw het concert van Orchestre e coro Sinfonia de Milano verstoord. Het zal geen toeval zijn dat dit concert was gekozen. Op de lessenaars lag Verdi’s Requiem, muziek voor de overledenen. De symboliek echode door de zaal waar het publiek niet gediend was van de actie en de activist de zaal uit werkte.

Maar intussen stijgt de zeespiegel gewoon door en maken we onze leefomgeving kapot. Yuval Noah Harari waarschuwde al voor de vernietigende kracht van Sapiens, wij dus. We leven alsof er geen morgen is, en dat zou – om meerdere redenen – best wel eens kunnen kloppen. Bert Wagendorp denkt dat we wel in actie komen, maar pas als het te laat is. Na ons de zondvloed.

De dag van mijn vader

Vandaag is het vaderdag. Of beter: de dag van mijn vader. Zijn geboortedag. Hij was van 7 april 1926. Kind van het interbellum. Geklemd als het ware tussen een net uitgedoofde Spaanse griep en de slagschaduwen van een volgende Wereldoorlog. Wat lijkt 1926 dan vervelend veel op 2022. We herhalen de geschiedenis.

Mijn vader had een grote liefde voor het boek, het geschreven woord. In de Tweede Wereldoorlog was hij secretaris van het ondergrondse – want verboden – literaire tijdschrift Parade der Profeten. Hij had contact met ontluikende schrijvers als W.F. Hermans. Het woord zou zijn toekomst zijn. Maar zo liep het niet.

Pas na zijn pensionering en een arbeidzaam leven van tegenvallend werk, pakte hij het woord weer op. Hij begon Boekstaf, een klein handeltje in boeken, “lekker een beetje rommelen en klooien met boekies”, noemde hij dat. Eerste drukken. Bijzondere uitgaven. Hij vond het boeiend om bij Gerard Reve en Joop Schafthuizen in Schiedam thuis te komen. Reve was klant. Vond hij mooi.

Met al die liefde voor het boek en het woord bleef er niet zoveel liefde meer over voor zijn directe omgeving. Ik miste hem tijdens zijn leven meer dan na zijn dood. Maar hij bracht me in ieder geval wel op het pad van het woord. De vele boeken thuis waren een bron van kennis en ontwikkeling waar ik me zonder voorbehoud aan mocht laven.

Na vele vruchteloze pogingen ben ik nu een heel eind op weg met mijn eerste boek: Soundtrack van mijn jeugd. Het gaat over muziek, over geschiedenis, over de geschiedenis van muziek en over mezelf in die geschiedenis.

Ware hij nog in leven dan zou mijn vader best een beetje trots zijn geweest op mijn schrijven en mijn boek. Maar trots is wat anders dan liefde. Ooit voegde hij mij toe dat ik mijn talent wel van hem moest hebben. Hij erkende het talent, maar het klonk niet als een lieve vader, maar eerder als revanche op een leven dat hem te weinig bracht en zijn talenten maar matig benutte.

Hopelijk staat er ergens op de eeuwige lettervelden een comfortabele fauteuil met voetenbankje waar hij na de ontdekking van die hemel prachtige eerste drukken door zijn handen kan laten gaan en zijn liefde exclusief kan focussen op die ‘boekies.’

Ruggengraat en machinekamer

Als zwierende jongeling wilde ik keeper worden, journalist of drummer. Ik speelde veel luchtdrums en nog altijd als Smells Like Teen Spirit weer eens voorbij knalt, dan hou ik de armen niet stil.

The Rolling Stones horen bij mijn jeugd, ofschoon ik weer van The Beatles was. Charlie Watts maakte – het was 1965, meen ik – als drummer één van de vetste intro’s tot op heden, het amechtige gehengst als start van de grote hit Paint it Black.

Verder was Watts een stille kracht, een jazzheer onder de ruigen en veelgebruikers. Watts was de ruggengraat en machinekamer van The Rolling Stones. Geen tik teveel, geen franje, geen immense drumstellen waar je de drummer nog slechts kon vermoeden.

Watts is dood. 80 geworden. Respectabel, maar toch vreemd dat ook die sterren van toen maar ouder werden en worden en niet geruisloos verdwenen toen ze nog jong waren, want jong hoorde zo bij de rockmuziek. Hope I die before I get old, schreef Pete Townshend van The Who. Maar hem lukte het ook niet. Zelfs Keith Richards leeft nog.

Zo luisteren we naar heerlijke muziek van decennia terug en zie ik nog die toen nog zo jonge mannen met hun muffe jassen, rare brilletjes en gekke hoeden. Rebels with a cause. Dat waren nog eens tijden. En zo zal ik de meeste ook herinneren, hoe lang ze -net als Charlie Watts – tot op hoge leeftijd hebben volgehouden.

De machinekamer is stil. Respect voor de dode drummer. Miss You.

The Day The Music Died

Vandaag 62 jaar geleden kwamen de toen razend populaire musici Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper bij een vliegtuigcrash bij Fargo, North Dakota, om het leven. Zij werden in 1971 vereeuwigd in de megahit ‘American Pie’ van Don McLean met de beroemde strofe ‘The Day The Music Died.’

Iedereen zocht duiding over waar het het 8 minuten 30 durende epos (als vinyl single moest het nummer vanwege die lengte in tweeën worden geknipt..) verder eigenlijk allemaal over ging.

McLean liet het heel lang een raadsel zijn. Hij vond het wel grappig dat bij elk interview de eerste vraag ging over het raadsel dat hijzelf in stand hield en hoe mensen met de meest bizarre interpretaties kwamen.

Pas toen in 2015 16 pagina’s met teksten en krabbels van McLean voor ‘American Pie’ voor een vorstelijk bedrag werden geveild, liet hij wat meer los over zijn magnum opus.

‘American Pie’ ging over verlies van onschuld, het verdampen van idealen en hoe alles veranderde maar minder werd dan gehoopt. Zelfs God gooide de handdoek:

And the three men I admire most
The Father, Son and Holy Ghost
They caught the last train for the coast
The day the music died

It’s The Bell Of Freedom

Er zijn van die artiesten die je al lang dood waande. Des te harder schrik je dan toch wanneer de dood echt komt en je hem of haar dus al heel lang uit het oog had verloren. Dat geldt zeker voor Trini(dad) Lopez die in 1963 met ‘If I Had A Hammer’ zijn grootste hit had, en dat is toch bijna net zo lang geleden als ik oud ben.

Volgens mij hadden wij het singeltje thuis, maar ik zal het nummer pas later hebben opgepikt, en wat ik mij vooral van toen herinner was dat er een enthousiast en klappend publiek was dat Lopez als grote bijval door het optimistische ‘If I Had A Hammer’ joeg.

Het lied was niet van Lopez, maar van ‘folkie’ Pete Seeger die het nummer in 1949 schreef voor de Progressive Party in de VS, een beweging die door de communistenheksenjacht in de jaren ’50 en de algemene Amerikaanse afkeer van alles wat naar links en socialistisch ruikt het onderspit delfde.

Het lied van Seeger heeft een optimistische beat en een tijdloze boodschap: ‘It’s the Hammer of Justice, It’s The Bell of Freedom.’ Misschien was dat lied, die tekst die mij op een zeker pad in het leven zette. Hulde dan aan Seeger en Lopez. Pijnlijk was wel dat net nadat Lopez zijn grote hit had JFK in Dallas werd vermoord. Drie keer raden wie er in de Mexicaanse suburbs van Dallas in 1937 was geboren. Voor een schrijver en een blog zijn dat de heerlijkste toevalligheden waar je een verhaal aan op kunt hangen.

Land Of Hope And Glory

Ze werd geboren toen het Engelse leger in de Belgische en Franse loopgraven vocht tegen de Duitsers, recent indrukwekkend verfilmd als ‘1917’ door Sam Mendes. Vera Margaret Lynn was inmiddels al zo oud dat elke Brit dacht dat zij onsterfelijk was, maar helaas. Zij overleed deze week, 103 jaar oud.

Een groot deel van haar leven was Vera Lynn al een levende legende, de ongekroonde koningen van het Britse Rijk en’ the forces sweetheart’, het liefje van de Tommy’s door haar in de donkere dagen van de Tweede Wereldoorlog zo opbeurende en nu wereldberoemde ‘We’ll Meet Again.’

Vera Lynn was naast Churchill een baken van hoop voor de bedreigde Britten. Ik associeerde haar altijd met ‘Land Of Hope And Glory’, het pompeuze patriottische en inmiddels nostalgische anthem over dat wereldrijk dat elke Brit in zijn slaap nog zingt.

Met Vera Lynn teerde heel Engeland bij gebrek aan beter graag op het verleden, toen in het Britse Rijk de zon nooit onderging en iedereen zijn plek kende in de strikte hiërarchie met stiff upper lips die ons later Monty Python bracht.

It’s A Little Bit Funny

Je ziet het vaker. Een rotte jeugd is een goudmijn voor menig schrijver en artiest. Neem Elton John. Of Reginald Dwight, zoals hij echt heet. Geen liefde, geen aandacht, een vader die vertrekt, een moeder die uitsluitend van zichzelf houdt. Reginald vlucht in de piano, ontdekt en worstelt met zijn geaardheid, en wordt één van de grootste artiesten van de laatste decennia.

Dit soort verhalen is brandstof voor films, of films zoals Rocketman die eigenlijk een musical in beeld zijn. De chronologie mag af en toe niet kloppen, maar de film Rocketman sleept je heerlijk door Eltons leven en stopt niet zoals Queen in Bohemian Rhapsody de moeilijke punten weg maar zet ze juist centraal. Rocketman begint in een afkickkliniek en de zelfmoordpoging van Elton wordt tot een ontroerend stukje film.

Ik was twaalf toen Your Song van Elton John uitkwam. Ik vond het een prachtig nummer en nam het van de radio op op mijn cassetterecorder, die techniek die je niet meer aan je kinderen kunt uitleggen. Ik moet het nummer vaak hebben afgespeeld, ik ken de tekst uit mijn hoofd. Bizar is dat ik nu al die jaren later ook nog precies weet welk nummer er op mijn tape achter Your Song kwam. Na de laatste noot van Your Song start bij mij in mijn hoofd automatisch Sympathy van Steve Rowland & Family Dogg. Tsja, het geheugen..

Schattig, die video van Elton. Hij heeft een microfoon terwijl hij playbackt, en hij lijkt meer op een junior-verslaggever die nieuws heeft over het park waar hij vertoeft, dan een zanger die honderden miljoenen platen gaat verkopen. It’s A Little Bit Funny..

She Was Naked

Met als kop ‘De gitaar als grote afwezige’ ruimde Het Parool zaterdag bijna 2 pagina’s in voor Supersister, de Haagse band die begin jaren ’70 verrassend andere muziek maakte en heel verrassend in het voorjaar van 1970 een grote hit scoorde met de single ‘She Was Naked’.

Supersister was ‘arty’, een vleugje Soft Machine, een snufje Zappa, Pink Floyd nog met Syd Barrett, jazz, en de nodige weirde humor. En geen gitaar dus, maar toetsen en een dwarsfluit.

Supersister was in termen van die tijd ‘Wow’, en niet voor niets heette een livesucces van hen ook zo. Supersister was gaaf. Coole muziek, coole looks, enorm lang haar. Dat ze dat durfden. Ik moest nog steeds naar de dorpskapper en daar regeerde de tondeuse.

Toen Supersister zo plots een hit scoorde, was ik net 12, net brugpieper af, maar bleu, kortgeknipt en geen idee over bloemetjes en meisjes, laat staan dat ik iets kon met een titel als ‘She Was Naked’, maar spannend was het wel.

Maar in mijn klas zat Nicolien. Zij was ouder dan ik, en had totaal geen interesse in me. Ze had oneindig haar en hot pants die haar benen alle ruimte boden. Ik was bleu en onwetend, maar als zij naakt zou zijn…

Maar Nicolien was niet alleen Nicolien en ongrijpbaar, maar bleek ook één van de oprichters van een Supersister-fanclub. Daar moest ik natuurlijk lid van zijn. Het gaf me een excuus om contact te leggen (en te houden) met Nicolien.

Er kwam allemaal niets van. Niet voor mij, in ieder geval. Met Nicolien ook niet zo. Ik kwam haar heel lang geleden tegen op een schoolreünie, en ik vond dat ze minder was dan de belofte van toen.

Supersister daarentegen is na een halve eeuw nog steeds bijzonder. Al hun werk is nu samengebracht in een mooie box die ‘Memories are new’ heet. De fanclub zal niet meer bestaan, maar de fans zijn er nog, de een wat beter ter been en minder doof dan de ander.

The Act You’ve Known For All These Years

pepper1

Ik ben een dag te laat, maar wat maakt dat uit op een halve eeuw? Gisteren was het exact 50 jaar geleden dat Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band verscheen, de LP van The Beatles die gezien wordt als het beste, belangrijkste en meest invloedrijke album in de popgeschiedenis.

Het album is een wonderbaarlijke bundeling van talenten, instrumenten, technieken en thematieken en bevat nummers die al heel lang legendarisch mogen worden genoemd, zoals Lucy in the Sky With Diamonds en A Day In the Life.

In 1967 stonden The Beatles op het hoogtepunt van hun artistiek kunnen. Het ervaren kwartet uit Liverpool had zich getransformeerd van een onwaarschijnlijk succesvolle hitfabriek tot een band met grote artistieke diepgang en reflectie.

En hoe geniaal, jezelf aan begin en eind van het album presenteren als die Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, een band die speelt dat ze The Beatles is, bedacht door The Beatles. Muzikaal Droste-effect. En naast Sergeant Pepper bedachten ze nu wereldberoemde karakters als Lucy, Lovely Rita, The Hendersons en Mr. Kite.

It was twenty years ago today, zo begint Sgt. Pepper. Inmiddels is het fifty years ago today, nou ja, gisteren dan. Vanavond op NPO2 de integrale uitvoering van Sgt. Pepper door The Analogues die met liefde en enorm veel doorzettingsvermogen alle stemmen, instrumenten, geluiden en effecten tot leven brengen, iets wat The Beatles zelf nooit deden.

The One I Love

remDeze dinsdag was een dag van de herinnering. Zo was het een kwart eeuw geleden dat R.E.M. het album Out Of Time uitbracht met het inmiddels legendarische Losing My Religion, een nummer waar ik na 25 jaar in de juiste setting nog steeds vochtige ogen van kan krijgen.

Het lijkt zo lang her, die zomer van 1991 op Griekse eilanden en overal uit speakers dat hypnotiserende en energieke Losing My Religion van vier jongens uit Athens, Georgia. Het leven strekte zich oneindig uit. Mooiere nummers waren er niet gemaakt en zouden niet meer worden opgenomen, zo leek het. Michael Stipe en zijn makkers maakten de ultieme song; catchy, tikje mysterieus, heerlijk om mee te brallen en te lallen, en met een heerlijk getokkelde mandoline. Out Of Time, really.

En nog effe lekker opscheppen: ik had R.E.M. nog in Paradiso gezien voordat het grote succes neersloeg. Het moet 1 oktober 1985 zijn geweest. Stevige gitaarrock, vleugje Byrds, een band op zoek naar een echt eigen geluid. Het succes lag klaar. Om de hoek. The One I Love. En Out Of Time bezorgde hen de megastatus. Wat een schoonheid. Maanden kippenvel.

Veel verder terug in de Amerikaanse geschiedenis ligt de moord op John F. Kennedy in Dallas, Texas, 22 november 1963, exact 53 jaar her. De moord is nooit opgelost. Lee Harvey Oswald had er niets mee te maken. Het Amerikaanse Congres kwam al in 1979 tot de conclusie dat er een complot was, maar de schutters zijn nooit gevonden, zo er al is gezocht.