She Was Naked

Met als kop ‘De gitaar als grote afwezige’ ruimde Het Parool zaterdag bijna 2 pagina’s in voor Supersister, de Haagse band die begin jaren ’70 verrassend andere muziek maakte en heel verrassend in het voorjaar van 1970 een grote hit scoorde met de single ‘She Was Naked’.

Supersister was ‘arty’, een vleugje Soft Machine, een snufje Zappa, Pink Floyd nog met Syd Barrett, jazz, en de nodige weirde humor. En geen gitaar dus, maar toetsen en een dwarsfluit.

Supersister was in termen van die tijd ‘Wow’, en niet voor niets heette een livesucces van hen ook zo. Supersister was gaaf. Coole muziek, coole looks, enorm lang haar. Dat ze dat durfden. Ik moest nog steeds naar de dorpskapper en daar regeerde de tondeuse.

Toen Supersister zo plots een hit scoorde, was ik net 12, net brugpieper af, maar bleu, kortgeknipt en geen idee over bloemetjes en meisjes, laat staan dat ik iets kon met een titel als ‘She Was Naked’, maar spannend was het wel.

Maar in mijn klas zat Nicolien. Zij was ouder dan ik, en had totaal geen interesse in me. Ze had oneindig haar en hot pants die haar benen alle ruimte boden. Ik was bleu en onwetend, maar als zij naakt zou zijn…

Maar Nicolien was niet alleen Nicolien en ongrijpbaar, maar bleek ook één van de oprichters van een Supersister-fanclub. Daar moest ik natuurlijk lid van zijn. Het gaf me een excuus om contact te leggen (en te houden) met Nicolien.

Er kwam allemaal niets van. Niet voor mij, in ieder geval. Met Nicolien ook niet zo. Ik kwam haar heel lang geleden tegen op een schoolreünie, en ik vond dat ze minder was dan de belofte van toen.

Supersister daarentegen is na een halve eeuw nog steeds bijzonder. Al hun werk is nu samengebracht in een mooie box die ‘Memories are new’ heet. De fanclub zal niet meer bestaan, maar de fans zijn er nog, de een wat beter ter been en minder doof dan de ander.

Fly Like An Eagle

Eagles3En eens te meer blijkt maar weer hoe gevaarlijk New York is. In net een week overlijden David Bowie en Glenn Frey in Gotham. Over Starman Bowie is alles al gezegd. Over Glenn Frey nog niet. Voor wie hem niet mocht kennen: Frey was mede-oprichter, zanger, gitarist, toetsenist en componist van The Eagles die met hun prachtig melange van pop, rock en country de jaren ’70 muzikaal domineerden en met Hotel California de status van onsterfelijkheid (nou ja) verwierven.

Glenn Frey kwam uit Detroit, een beetje een bad ass, grote bek, aanwezig en zeker niet te beroerd om een probleem knokkend op te lossen. Samen met drummer en zanger Don Henley zou hij de nucleus gaan vormen van een band die na een periode als begeleidingsband van Linda Ronstadt uiteindelijk The Eagles zou worden. The Eagles maakten muziek die er niet was ofschoon het totaal niet nieuw klonk, en in een jaar of vier zouden zij evolueren van Take It Easy tot Life In The Fast Lane, van softies tot stadionact, met alle genotsmiddelen, private planes, seks en verwijdering die daar gratis bijkomen.

Ik heb The Eagles drie keer gezien. De eerste keer was in De Doelen in Rotterdam toen hun tweede album Desperado net uit was. Commercieel was Desperado een tegenvaller maar artistiek is het voor mij nog steeds een mijlpaal in de geschiedenis van The Eagles, een grotendeels gelukte poging tot een thema-album over cowboys en outlaws als een metafoor voor het eigen bestaan. Een paar later zag ik ze in Ahoy en was de band van vier aardige jongens met denim en engelenkoortjes ontwikkeld tot een stadionact met een extra gitarist en het volume wijd open.

De laatste keer dat ik Glenn Frey zag was in 2014 in de Ziggo Dome. The Eagles hadden alle ruzies en strijdbijlen begraven en gelokt met vette cheques trokken ze als cowboys-in-bijna-ruste de wereld over. De magie was allang weg, ofschoon het nog steeds wel aardig klonk en het beetje voelde als oude vrienden. Ik wist dat ik niet had moeten gaan, en mocht dus niet zeuren. Wasted Time was het zeker niet. En nu met de vrij plotse dood van Frey weet ik zeker dat ik niet nog een keer in de verleiding kan komen om The Eagles te gaan zien.

Stairway to California

LedZVoor een aantal heren op leeftijd die elkaar haten, viel het concert van The Eagles in de Ziggo Dome nog best mee. Het was de derde keer dat ik de band zag, en elke keer werd het minder, zoals gebeurt met het stijgen der jaren en de herinneringen aan toen steeds meer een zeurderige trip down memory lane worden.

Frank Zappa was heel helder: we’re only in it for the money. Dat zijn The Eagles nu ook. Vandaar waarschijnlijk dat de groep nogal mechanisch en liefdeloos overkwam, hoe technisch perfect alles ook klonk en de mannen nog als nightingales zongen.

De mega-mega-hit Hotel California was niet eens de uitsmijter, maar is naast wereldberoemd ook betwist. Gitarist Don Felder zou de riffs van het nummer bewust of onbewust hebben gevonden bij het nummer We used to know van Jethro Tull. De gelijkenis is ook werkelijk meer dan frappant.

The Eagles komen ermee weg. Dat lijkt Led Zeppelin niet te lukken. De band wordt – na ruim 40 jaar ! – in de V.S. aangeklaagd voor het jatten van hun opus magnum Stairway to Heaven van gitarist Randy California van Spirit. Nabestaanden van California hebben de zaak aanhangig gemaakt, eerder lukte dat niet vanwege ‘gebrek aan geld.’ Dat probleem zou nu wel eens verholpen kunnen worden.

We’re only in it for the money. Niets of alles is toeval. Op het titelloze vierde album van Led Zeppelin waar het prijsnummer Stairway to Heaven op staat, is ook het nummer Going to California te vinden. Hotel California. Randy California. Going to California. Zou dat de geheime boodschap zijn die verstopt zit in de symbols van Led Zeppelin IV?

Brighton Rock

uriah-heep-bNiks fly-drive, niks Kanaaltunnel, in mijn jeugd was er de ferry en – gaaf, maar wat een stank en pokkenherrie – de hovercraft om ons het Kanaal over te zetten richting de krijtrotsen van Dover. In mijn puberjaren ben ik verliefd geworden op dat rare Albion, en het is nooit meer overgegaan.

Het moet 1972 zijn geweest toen ik die zomer in Brighton in een hip kelderwinkeltje van mijn zakgeld de net verschenen LP Demons and Wizards van Uriah Heep kocht. Ik kende de groep en de muziek niet, ik denk dat ik geïntrigeerd werd door de door Roger Dean ontworpen hoes met een lokkende tovenaar in een fantasieland met watervallen en donkere luchten waar Dean met Yes ook zo’n succes mee had.

Ik was blown away toen ik Demons and Wizards voor het eerst hoorde op mijn hotelkamer op mijn portable draaitafel. Het was rock, het was hard, snel, maar het was ook melodieus, met akoestische gitaren en hemelse koortjes. De hitsingle Easy Livin’ stond als een huis, en denderde als een trein met het pompende orgel van Ken Hensley.

Het zijn mooie herinneringen aan de vooravond van weer een Brits bezoek. Nu mag je Uriah Heep niet meer leuk vinden – foute bombast – maar het is toch die muziek van zo rond je vijftiende die heel diep ergens in je geheugenopslag zit en – hoe dan ook – vormend voor the years to come. Als ik straks in de buurt van Brighton ben, zal ik toch even denken: Easy Livin’, het is best goed gelukt.

Iedereen is van de wereld

lau.microfoonIk geef het toe: ik heb het niet zo op de Nederlandstalige popmuziek. Natuurlijk is er Het Land van Maas en Waal – oneindig laagland op LSD – van Boudewijn de Groot en vooral Lennaert Nijgh, het door Fungus in het stopcontact gestoken volkswijsje Kaap’ren Varen, flarden Shaffy, de stem van Bob Bouber, en de Hollandser dan Holland hit Ik heb geen zin om op te staan van Het.

Nederlandstalig, het is gewoon mijn ding niet, zeg maar. Het spijt me voor alle Bloffen, Kasten en Dijken, voor Doe Maar (Laat Maar, grapten wij vroeger), Tröckener Kecks en what have you, ik ben groot geworden met Byrds, Beatles, Kinks, Anglofiel tot op het bot, het lijkt wel landverraad of Selbsthass, maar het is niet anders.

In mijn Engelse ziekte so to speak ben ik dus ook Thé Lau en The Scene misgelopen, en dat schuurt nu natuurlijk nu voorman Thé Lau echt op afscheidstournee langs Paradiso, Pinkpop en Brussel gaat omdat hij de strijd tegen keelkanker verliest. Iedereen is daar toch wel een beetje door van de wereld.

Nu iedereen huilt ga ik niet plots meehuilen, dat zou onoprecht zijn, maar triest vind ik het wel, en het lijken mij bergen om te beklimmen straks als je weet dat je voor het laatste keer je publiek ziet en zij jou. En toen herinnerde ik mij dat ik Thé Lau toch een keer had gezien, heel lang her, bij Neerlands Hoop, bij Bram en Freek, maar daar kwam ik dan ook meer voor de grappen dan voor de muziek.

Een tandje bij

denbriel

Het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht is het beste ziekenhuis van Nederland, zo blijkt uit de AD Ziekenhuis Top 100. Dat is mooi, en een mooie opsteker voor de stad Dordrecht die vorige week in de Volkskrant onder de kop ‘Het verdriet van Dordrecht’ nog model stond voor de ingehaalde stad.

Waar gewonnen wordt, wordt ook verloren. Onderaan de lijst van het AD bungelt Medisch Centrum Leeuwarden, persoonlijk pijnlijk omdat mijn moeder daar al weer vele jaren her overleed. Maar zo gaat het leven. De directeur van Leeuwarden laat het er echter niet bij zitten. Hij zag plek 100 als ‘..extra reden om er een tandje bij te zetten.’. Dat wordt dus niks met zulk eng managmentgewauwel.

Maar wat ik plots met Dordrecht heb? Ik werk er. Sinds kort. Een paar dagen per week. Voor een half jaar. Bij het Dordrechts Museum, Het Hof, Huis van Gijn en het regionaal archief. In een oude stad die een uitvergroot model is van het Den Briel (of Brielle..) waar ik mijn jeugd grotendeels doorbracht. En aan die jeugd moest ik deze week weer denken toen onze jongste dochter Hedda 12 werd.

Want waar was ik toen? Ik was ook een brugpieper met een veel te zware tas die door zijn ouders van de Rijks H.B.S. te Den Briel werd gedeporteerd naar Spijkenisse omdat daar het lesrooster wel goed gevuld was. Plots zat ik niet meer om de hoek op school (zoals Hedda nu), maar 15 kilometer verderop. Het bleek een zegen.

En Dordrecht en Den Briel lijken niet alleen op elkaar, ze zijn ook verbonden in de tijd, zoals ik dat me mijn moeder was en ben en nu met mijn dochter ben en zal zijn. In Dordrecht wordt nu hard gewerkt aan Het Hof waar de geschiedenis verteld en zichtbaar wordt met als uitdagende claim  ‘Hier begint Nederland’, refererend aan een illegale Statenvergadering in 1572, niet toevallig hetzelfde jaar waarin – op 1 april – de Geuzen Den Briel veroverden op den Spanjaard.

Op 1 april verloor Alva zijn Bri(e)l, zo leerde ik al op de lagere school. En ‘In naam van Oranje doe open de poort, de watergeus ligt voor Den Briel..’. Prachtig vond ik dat als klein kereltje. De schaduwzijde was dat ik een nep 16e eeuws pakje aan moest voor de 1 april-viering. Dat was gênant. Maar iedereen moest. En zo is het historisch besef er goedmoedig ingeramd, van Brielle toen tot Dordrecht nu.

Zeven dagen lang

bots

Een aardig stukje van Han Lips in Het Parool attendeerde mij op een uitzending van Het Uur van de Wolf die ik had gemist over de Eindhovense popformatie Bots die in de jaren ’70 furore maakte met een bijzondere mix van aantrekkelijke muziek, gezelligheid en geëngageerde teksten die resoneerden tot achter de Berlijnse Muur in de DDR.

Bots was het vehikel van en voor zanger, gitarist en componist en tekstschrijver Hans Sanders die de Brabantse band tot grote hoogte stuwde in een tijd dat het nog wel degelijk uitmaakte waar je stond, toen er klassen waren, kapitalisme dat bevochten moest en machten die bezworen moesten worden.

‘De een bezingt het leed, ik bezing de oorzaak’, liet Sanders optekenen in de Haagse Post. En de oorzaak was het kapitalisme waarvan de arbeider nog moest worden bevrijd. Bots was net de SP met muziek erbij. Het geluid sloeg ook in Duitsland aan, en op de vleugels van de vredesbeweging daar bleek Sanders ook in het Duits geloofwaardig over te komen.

Bots is uit mijn jeugd, de tijd dat je links moest zijn – nadenken kon later wel – en ik vond de lyriek van Sanders prachtig, van het klassieke kameraaddrinklied Zeven dagen lang tot het sombere Menens. Eind jaren ’70 studeerde ik blauwe maandagen op de Erasmus Universiteit. De opening van het studiejaar werd opgeluisterd door het toen hippe Gruppo Sportivo. De aula was te klein. Toen Bots twee nummers had gezongen, was de aula veel te groot. Waarschijnlijk was ik het enige rechtenstudentje dat bleef zitten bij Kom socialisten trek ten strijde.

Outlaw Men

The Eagles

‘I’ll make you rich. I’ll be richer, but I’ll make you rich.’ Zo beschreef gitarist en zanger Glenn Frey de pitch van producer en labelbaas David Geffen om The Eagles onder contract te krijgen. ‘And he kept his word,’ zo memoreerde Frey in de documentaire over Geffen waar ik gisteren over schreef.

In diezelfde documentaire vertelde Jackson Browne dat Geffen Frey stimuleerde om een band te beginnen in plaats van met zijn vriend J.D. Souther troubadour en mooie jongens te spelen. ‘You should be in a band,’ verordonneerde Geffen bijna. En zo geschiedde.In 1972 kwam het debuutalbum van The Eagles uit en werden vier niet-Californiërs de new wave country-rockers uit Californië.

Lange haren, houthakkersghemden, kapotte spijkerbroeken, acoustische gitaren, en hemelse zang en koortjes, ik kon er als middelbare scholier in kapotte spijkerbroek geen genoeg van krijgen. Ik zag The Eagles in 1973 in Concertgebouw de Doelen, een plek waar ik later zou werken. The Eagles waren nog in hun originele line up, met Frey, en met drummer en zanger Don Henley, gitarist en mandolinespeler Bernie Leadon, en bassist Randy Meisner.

Na het thematische meesterwerk Desperado ging de cowboyverpakking uit, de versterker aan, en met de komst van Don Felder werden The Eagles rock in plaats van country, en dat zou altijd zo blijven, hoe zoetgevooisd de ook aanwezige ballads ook waren, zoals de megahit The Best of My Love.

Ik zag The Eagles nog een keer, in Ahoy, toen net hun epische Hotel California was verschenen. Daar stond geen kwartet alternatievelingen, maar een stadionband, het soort supergroepen waar de punk vlak daarna heerlijk lang overheen wilde pissen.

Ik werd groter, The Eagles snoven zich suf, gingen uiteen, kwamen weer terug, en komen volgend jaar weer eens langs in Nederland om de bankrekeningen te spekken, als moderne Outlaw Men die geen banken overvallen maar het geld op vrijwillige basis uit je zak weten te toveren voor schandalig dure kaartjes. ‘But I won’t make them any richer…’. .

Smooth Operator

Childhood photo of David Geffen, Coney Island, NY. Photo courtesy of PBS

In 2000 reed ik met vrienden de historische Route 66 van Chicago naar L.A. en in eindpunt Santa Monica kocht ik een gesigneerd exemplaar van het boek The Operator van Tom King over David Geffen, de meest invloedrijke man in de Amerikaanse muziek- en filmindustrie, en één van de rijkste mensen in Amerika.

Ik kende de naam David Geffen wel, maar associeerde hem vooral met een voor in mijn ontwikkeling belangrijke periode in de jaren ’70 toen hij samen met Elliott Roberts het platenlabel Asylum Records (‘Crazy about music’) had en de grote motor was achter mijn seventies ‘helden’ The Eagles, Jackson Browne en J.D. Souther.

Dat Geffen zo groot werd en is, mag een klein wonder heten. Eigenlijk had hij alles tegen. Een verlegen, Joodse, homoseksuele jongen uit Brooklyn zonder veel talent. Maar Geffen bleek wel een enorm talent te hebben voor het herkennen en exploiteren van de talenten van anderen en hoe daar ongelooflijk rijk mee te worden.

Maar alles heeft een prijs. Zo beschermend en lief als Geffen kon zijn voor zijn artiesten en vrienden, zo meedogenloos en into your face kon The Operator zijn, en hij vergat nooit iets. Meedogenloos, egomaan, en tegelijkertijd altijd op zoek naar liefde, aandacht en erkenning. Ach, it’s that same old story.

Geboeid keek ik in Het Uur van de Wolf deze week naar de documentaire David Geffen wint altijd, een prachtig tijdsdocument en een boeiend portret van een smooth operator met de kracht van een atoombom. Aan de documentaire werkte Geffen mee, aan het boek van King ook, maar hij gaf het niet zijn zegen, het is ook nogal een hard en confronterend boek, eigenlijk exact zoals Geffen zelf.

Koeienbehang

Pink Floyd Atom Heart Mother cover Lulubelle

De één zijn dood, is de ander zijn blog. Met het verschijden deze week van de Britse designer Storm Thorgeson kreeg ik het ultieme excuus om schaamteloos een favoriete albumhoes uit het stenen tijdperk op te voeren: Atom Heart Mother van Pink Floyd.

Een koe in een weiland. Dat is alles. Geen titel. Geen bandnaam. Niets op de hoes, behalve Lulebelle III, wat zo heet de herkauwer die enigszins verstoord achterom kijkt en daar Storm Thorgeson met zijn camera ziet staan. De rest is geschiedenis.

Thorgeson maakte het gezicht van Pink Floyd in de jaren dat de Britse band zich van een psychedelische undergroundband ontwikkelde tot het icoon van symfonische rock met nummers van bijzondere lengte. Zo mag je voor het titelnummer van Atom Heart Mother 23.44 minuten met de koptelefoon en pretsigaret horizontaal op de bank.

Voor de één is het bombastische edelkitsch, voor de ander is het een voor 1970 bijna revolutionair werk van band met orkest en koor vol wendingen en effecten, met wegscheurende motoren, explosies, hinnekende paarden, en dus een koe op de hoes, geïnspireerd door de koeien en het koeienbehang van Andy Warhol.

Ik had de jeugdige en heerlijk naieve leeftijd om er door gefascineerd te raken, dat is ook nooit verdwenen, en ik denk dat het bijzondere ontwerp van Thorgeson daar een niet onbelangrijke rol bij of bijrol heeft gespeeld, een koe ergens buiten Londen, zo gewoon, en op een albumhoes zo bijzonder.

Echt wereldberoemd werd Thorgeson overigens een paar jaar later met zijn ontwerp voor Dark Side of the Moon, de grote doorbraak voor Pink Floyd, artistiek en qua Money. En ook bij Dark Side of the Moon geen titel of bandnaam op de hoes. Je moet maar durven.