Tunnelvisie

venetie.trafficjamAmsterdam wordt wel ‘het Venetië van het Noorden genoemd.’ Maar het is juist de vrees van veel Amsterdammers dat de stad net als Venetië wordt: een dode stad die onbetaalbaar is voor de eigen inwoners en 365 dagen per jaar gegeseld wordt door het massatoerisme dat de stad gebruikt en misbruikt en alleen maar verder de diepte in duwt.

Het is altijd spitsuur in Venetië, en in de zomer schijnt het niet te harden te zijn. Nu in april was het ook al duwen in de steegjes en massaal op het San Marco. De stad is niet gebouwd voor 20.000.000 toeristen, maar ze komen er wel elk jaar en putten de stad steeds verder uit.

Niets voor niets zijn er tal van plannen om de stad niet alleen tegen de zee maar ook tegen de oceaan van het massatoerisme te beschermen en te zorgen dat er veel meer geld binnenkomt om de stad te redden van zichzelf en een zekere verdrinkingsdood.

Dat toerisme wordt alleen maar erger, grover en massaler, en ik kan mijn handen niet in onschuld wassen. Wacht maar tot ook 1,4 miljard Chinezen op zoek gaan naar onze roots en Rembrandts. ‘Call some place Paradise, kiss it goodbye,’ zongen The Eagles ooit treffend in The Last Resort van hun megahitalbum Hotel California dat voor de band precies dezelfde ondergang betekende als die zij bezongen.

De wereldbevolking groeit en de wereld wordt maar kleiner. Leuk stuk vandaag in Het Parool over weer opgediepte plannen voor een tunnel van Londen naar New York. De techniek is ver, er kan veel, maar het prijskaartje van rond de tienduizend miljard euro zit de tunnelvisie nog wat in de weg.

Maar waarom zou je met een superzweefflitstrein naar de V.S. willen? ‘It’s a living hell,‘ volgens de Noord-Koreaanse leider Kim Jung-un over zijn aartsvijand, en hij kan het weten, ofschoon enige tunnelvisie hem ook niet vreemd zal zijn.

Outlaw Men

The Eagles

‘I’ll make you rich. I’ll be richer, but I’ll make you rich.’ Zo beschreef gitarist en zanger Glenn Frey de pitch van producer en labelbaas David Geffen om The Eagles onder contract te krijgen. ‘And he kept his word,’ zo memoreerde Frey in de documentaire over Geffen waar ik gisteren over schreef.

In diezelfde documentaire vertelde Jackson Browne dat Geffen Frey stimuleerde om een band te beginnen in plaats van met zijn vriend J.D. Souther troubadour en mooie jongens te spelen. ‘You should be in a band,’ verordonneerde Geffen bijna. En zo geschiedde.In 1972 kwam het debuutalbum van The Eagles uit en werden vier niet-Californiërs de new wave country-rockers uit Californië.

Lange haren, houthakkersghemden, kapotte spijkerbroeken, acoustische gitaren, en hemelse zang en koortjes, ik kon er als middelbare scholier in kapotte spijkerbroek geen genoeg van krijgen. Ik zag The Eagles in 1973 in Concertgebouw de Doelen, een plek waar ik later zou werken. The Eagles waren nog in hun originele line up, met Frey, en met drummer en zanger Don Henley, gitarist en mandolinespeler Bernie Leadon, en bassist Randy Meisner.

Na het thematische meesterwerk Desperado ging de cowboyverpakking uit, de versterker aan, en met de komst van Don Felder werden The Eagles rock in plaats van country, en dat zou altijd zo blijven, hoe zoetgevooisd de ook aanwezige ballads ook waren, zoals de megahit The Best of My Love.

Ik zag The Eagles nog een keer, in Ahoy, toen net hun epische Hotel California was verschenen. Daar stond geen kwartet alternatievelingen, maar een stadionband, het soort supergroepen waar de punk vlak daarna heerlijk lang overheen wilde pissen.

Ik werd groter, The Eagles snoven zich suf, gingen uiteen, kwamen weer terug, en komen volgend jaar weer eens langs in Nederland om de bankrekeningen te spekken, als moderne Outlaw Men die geen banken overvallen maar het geld op vrijwillige basis uit je zak weten te toveren voor schandalig dure kaartjes. ‘But I won’t make them any richer…’. .

Smooth Operator

Childhood photo of David Geffen, Coney Island, NY. Photo courtesy of PBS

In 2000 reed ik met vrienden de historische Route 66 van Chicago naar L.A. en in eindpunt Santa Monica kocht ik een gesigneerd exemplaar van het boek The Operator van Tom King over David Geffen, de meest invloedrijke man in de Amerikaanse muziek- en filmindustrie, en één van de rijkste mensen in Amerika.

Ik kende de naam David Geffen wel, maar associeerde hem vooral met een voor in mijn ontwikkeling belangrijke periode in de jaren ’70 toen hij samen met Elliott Roberts het platenlabel Asylum Records (‘Crazy about music’) had en de grote motor was achter mijn seventies ‘helden’ The Eagles, Jackson Browne en J.D. Souther.

Dat Geffen zo groot werd en is, mag een klein wonder heten. Eigenlijk had hij alles tegen. Een verlegen, Joodse, homoseksuele jongen uit Brooklyn zonder veel talent. Maar Geffen bleek wel een enorm talent te hebben voor het herkennen en exploiteren van de talenten van anderen en hoe daar ongelooflijk rijk mee te worden.

Maar alles heeft een prijs. Zo beschermend en lief als Geffen kon zijn voor zijn artiesten en vrienden, zo meedogenloos en into your face kon The Operator zijn, en hij vergat nooit iets. Meedogenloos, egomaan, en tegelijkertijd altijd op zoek naar liefde, aandacht en erkenning. Ach, it’s that same old story.

Geboeid keek ik in Het Uur van de Wolf deze week naar de documentaire David Geffen wint altijd, een prachtig tijdsdocument en een boeiend portret van een smooth operator met de kracht van een atoombom. Aan de documentaire werkte Geffen mee, aan het boek van King ook, maar hij gaf het niet zijn zegen, het is ook nogal een hard en confronterend boek, eigenlijk exact zoals Geffen zelf.